De muur van afdeling D
Als muren konden spreken… Vaak heb ik het mensen horen zeggen. Ze zouden schrikken als ik het deed. Maar waarom zou ik? Gebeurd is gebeurd. Het duurt niet lang meer of ik word met de grond gelijk gemaakt. Al een paar jaar sta ik te verpauperen, meer nog dan toen het hier bewoond was. Als geen ander weet ik wat zich hier, in Psychiatrisch Ziekenhuis Polderpoort, afdeling D, heeft afgespeeld. Alles heb ik gezien en gehoord. Mensen, sidderend van angst, opgesloten in zichzelf, eenzaam en verdrietig, versuft van pillen of schreeuwend uit waanzin en woede. Zielenpijn, ik ben ermee vergroeid, mijn metselwerk is ervan doortrokken. Maar mijn waarnemingen, in baksteen opgeslagen, zullen binnenkort door de slopershamer in puin gebeukt worden. Nog even zal het stof opwaaien om daarna voorgoed geruimd te worden. Ik zal vergeten zijn. Zo gaat dat, ik maak me geen illusies. Als ik wil dat er iets overblijft van wat ik gezien en gehoord heb, dan moet ik nu toch spreken.
Hij lag met zijn kleren aan onder de dekens, met hoofd en al. Zijn bed stond in de linkerhoek van slaapzaal twee. Door een kledingkast en een houten schot waar zijn wastafel aan vast zat, had hij nog wat privacy, evenals zijn drie kamergenoten. Het was schemerig, er kwam amper daglicht door het kleine raam. Zijn lakens lagen half op de grond. Hij wilde niets. Het geluid van hoge hakken die stevig en kordaat op het linoleum klikten kwam dichterbij. Gevolgd door voetstappen die ik niet eens gehoord had. Ik had haar al wel gezien, de vrouw die achter Ingeborg Bilderbos, de psychiater, aan liep. Het moest de moeder van Thomas zijn, de jongen onder de deken. Moeders herkende ik direct aan de bezorgdheid in hun ogen.
Ik was een scherp waarnemer en denk niet dat mijn blik beperkt was tot slaapzaal twee. De muren van alle vertrekken zijn met elkaar verbonden door vloerplaten en dakoverspanning. Ik spreek namens alle muren.
De moeder had ik zien staan op de plek waar nieuwe bezoekers altijd stilstaan. Meestal familie. Vrienden hebben de mensen die hier opgenomen zijn bijna niet. Ze keek omhoog en ik wist wat ze las. Op mij, de muur boven de ingang van de afdeling hing een bord: ‘Wegens privacy van onze mensen, verboden de afdeling te betreden’. Ze keek om zich heen, rechts, op twee meter afstand, was de deur van het kantoortje van de verpleegkundigen. De luxaflex was neergelaten en er zat een papier op de ruit geplakt waarop stond dat de verpleegkundigen niet gestoord mochten worden. De vrouw schudde haar hoofd en ik hoorde een zacht ‘tsss’.
Ze overtrad het eerste gebod en liep de afdeling op. Keek in alle huiskamers, drie stuks. Ik schaamde me voor de verveloze staat, voor het armoedige interieur, de gedateerde stoelen met stalen poten en versleten blauwe bekleding, het tafeltje met koffiekringen en gemorste suiker, de vieze koffiekopjes zonder schoteltjes en de roestvrijstalen suikerpot. In een houten kast een groot televisietoestel, in de eethoek de tafel met wit formica tafelblad en oranje plastic stapelstoelen. Dit alles op de beige linoleumvloer waar de gehele afdeling mee bedekt was. Het was begin 2002. De plannen om te verhuizen waren al jaren reden om niet meer te investeren.
Afgewezen. Niet ingesteld op zo’n absurde vraag. Geen mens gaat uit vrije wil de isoleercel in.
Geen Thomas te bekennen, noch in de huiskamers, noch in de rokerskamer en ook een verpleegkundige was nergens te vinden. Dat had ik de moeder kunnen vertellen, het was hier overdag vaak uitgestorven op de vrouw na die altijd zat te breien en niet op of om keek en een handjevol mannen en vrouwen die voor zich uit staarden, koffie dronken, televisie keken en regelmatig een bezoek brachten aan het zogehete ‘rokershol’.
Aan het einde van de gang was een gesloten deur, daarachter, dat laat zich raden, de gesloten afdeling. De vrouw liep terug, aarzelde en ging de huiskamer in met de breiende vrouw en een man die voor zich uit staarde.
”Hallo, ik ben de moeder van Thomas, weten jullie waar hij is?“ vroeg ze. Antje, ik kende iedereen bij naam, trok een ‘ikweethetniet’ gezicht en breide stug door en Jan, vaste klant hier, haalde zijn schouders op.
”Is hier ergens een verpleegkundige?“
”Die zitten in het hok.“ Jan wees met een bruine nicotinevinger in de richting van het kantoor.
De moeder overtrad ook het tweede gebod, klopte op de deur en ging naar binnen zonder te wachten tot er opengedaan werd.
Om de tafel zaten de dames en heren verpleegkundigen koffie te drinken. Vergaderen heette dat. Nu ben ik wat cynisch, vergeef me, tussen het koffiedrinken en het gezellige gekeuvel over vakanties en wat er zoal op tv was geweest door, werd er soms ook serieus vergaderd. Diensten werden overgedragen, rapporten geschreven, werkroosters gemaakt en lastige telefoontjes met bezorgde ouders beantwoord.
”Ik kom voor Thomas, en ik zou graag de psychiater spreken“, zei de vrouw.
”Heeft u een afspraak?“ vroeg Frits, de broeder die opstond en naar het bureau liep waar de agenda lag.
”Ik wil graag weten hoe het met Thomas is en hoe het nu verder gaat.”
”Dan had u een afspraak moeten maken mevrouw.”
Ze had geluk, de moeder van Thomas. Ingeborg Bilderbos kwam net de afdeling op en de moeder kreeg de psychiater zo ver dat ze even tijd vrijmaakte. In slaapzaal twee waar het geluid van de hoge hakken stopten, werd het licht aangeknipt.
”Zo, Thomas, zou je er niet eens uitkomen?“ Bilderbos stond met een hand in haar zij aan zijn bed. Geen enkele reactie.
Ze keek naar de moeder met een zelfverzekerde blik van ‘laat dit maar aan mij over’.
”Ik wil met je praten, ik zou graag willen dat je uit bed komt.“ Roerloos bleef het onder de dekens.
”Hoi Thomas, ik ben er ook”, zijn moeder stapte naar voren en boog zich naar hem toe. ”Kom op joh, we willen even praten.“
Hij draaide zich om en trok de deken nog verder over zijn hoofd.
”Zo is het wel genoeg geweest, we hebben geen uren de tijd.“
De psychiater trok de deken van zijn bed, een lucht van zurig zweet walmde omhoog van de plakkerige, plastic matras waar hij op lag. Thomas greep naar de deken, maar miste, hij trok zijn benen op en bleef in foetushouding liggen met zijn rug naar de psychiater en de moeder.
Dit soort taferelen heb ik vaak meegemaakt. Er komen heel wat woorden aan te pas om hier iemand in de benen te krijgen.
Vriendelijke woorden, vragende, smekende, bevelende, dreigende.
Een lummel als Thomas (een jaar of twintig), met zo’n groot lijf, pak je niet even bij zijn lurven, waar die ook mogen zitten.
In de gang, met Bilderbos voorop, slofte de jongen even later naast zijn moeder voort als een oude man. Ik zie hem nog schuifelen in zijn verkreukelde kleren, de plooien van het kussensloop in zijn wang, zijn haar verwilderd evenals zijn ogen en uit zijn oren staken stukjes van het toiletpapier dat hij erin gepropt had. In het voorbijgaan griste hij een handdoek van de wastafel en gooide die over zijn hoofd. ”Vooruit Thomas”, zei Bilderbos toen ze achterom keek en zag dat haar voorsprong wel erg groot werd, ”zet je benen er even onder”. Ze zei niets over de handdoek.
Een depot Cisordinol, een poosje aanzien hoe dit uitpakt en de eis dat hij beter zijn best moest doen, dat was ongeveer de uitkomst van het gesprek.
Thomas had toegestemd met het depot, hij vond het allemaal best. Als hij maar weer onder de dekens kon kruipen.
Ik had veel bijzondere mensen meegemaakt en keek niet gauw ergens van op. Maar wat ik Thomas een paar dagen daarna hoorde vragen had ik in de 80 jaar dat ik bestond nog nooit gehoord; hij wilde gesepareerd worden. Voor alle duidelijkheid: de isoleercel in. Die kleine, kale ruimte zonder ramen, waar je in opgesloten wordt. Waar niets anders ligt dan een matras en een kartonnen bakje (voor nodig moeten). Volkomen buiten zichzelf waren de mensen die ik daar gadesloeg. Als een wild dier gingen ze tekeer, schreeuwend, vloekend, radeloos bonkend op de deur tot ze uitgeraasd waren. Sommigen sloegen letterlijk met hun kop tegen mij aan. Op zulke momenten had ik gewild dat ik zachter was. Gelukkig was er voor deze patiënten een separeerruimte met een bed, vastgeschroefd in de vloer, waarin ze (in een dwangbuis) vastgebonden konden worden. Mensonterend om te zien, maar het kon soms niet anders, werd gezegd. Het was voor hun eigen veiligheid en zeker voor die van andere patiënten en het personeel. Dat maakte het er niet minder pijnlijk om. Zich van geen kwaad of waanzin bewust, voelden ze zich vernederd, behandeld als een misdadiger.
Het verzoek van Thomas werd afgewezen. Het personeel was niet ingesteld op zo’n absurde vraag. Geen mens, hoe gek ook, gaat uit vrije wil de isoleercel in. Typisch iets voor Thomas met zijn theatrale gedrag, werd er achter de neergelaten luxaflex gezegd. Het regende daar klachten: ”Hij manipuleert en houdt zich niet aan afspraken”, vond Anja. ”Dit heeft niets met zijn ziekte te maken, het zit in zijn persoonlijkheid”, concludeerde Martien. ”Als zijn houding niet verandert kunnen we hem hier niet langer handhaven”, was Mieke van mening. ”Hij moet wel willen en zijn verantwoordelijkheid nemen”, zei Frits ten slotte, ”anders heeft het geen zin”. Alleen Barbara liet een ander geluid horen, naar haar mening was Thomas een ernstig zieke jongen.
Het is waar. Ik heb het met mijn eigen ogen gezien, een lastpak was die Thomas. Hij kwam zijn bed niet uit als hij gewekt werd, wilde niet douchen, niet meedoen met de groepstherapie, niet naar muziek- of bewegingstherapie. Alleen voor koffie en een sigaretje kwam hij vrijwillig zijn bed uit. Zodra er druk op hem uitgeoefend werd, gilde hij als een speenvarken. Kortom, onhandelbaar. Menig keer dreigden ze hem op straat te zetten. Het was aan de felle protesten en strijd die zijn ouders voerden te danken dat het nog niet gebeurd was. Thomas wilde rust, de isoleercel.
Al tijden was het dufheid troef op afdeling D. Ik was ingedut, geïnstitutionaliseerd zou je kunnen zeggen. Thomas met zijn rebellie schudde me wakker. Hij was zo eigenwijs om eisen te durven stellen en kritiek te geven.
”Ik heb het hoogste niveau van zorg nodig en dat krijg ik hier niet”, had hij geroepen. Daarmee maakte hij zich nog minder populair dan hij al was. Ook zijn moeder was lastig, ze belde bijna elke dag om te vragen hoe het met haar zoon ging en kwam regelmatig op bezoek. Ik vermoedde dat zij als ze in de gaten had dat de verpleegkundigen in ‘het hok’ zaten, wat vaak het geval was, ze expres ging aankloppen, soms met een onnozele vraag over vermiste sokken.
Hij was zo eigenwijs om eisen te durven stellen en kritiek te geven.
Thomas knapte in de paar weken dat hij hier was niet op, in tegendeel, hij werd onrustiger en achterdochtiger. Hij verdacht Jacob, die tegenover hem sliep, ervan dat hij een spion was en had het gevoel dat iedereen tegen hem was. Nergens voelde hij zich veilig, niet binnen Polderpoort, maar zeker ook niet daarbuiten. Hij was al een keer naar het Oosten van het land gevlucht voor het wassende water, heel Nederland zou onder water lopen en verdrinken. Thomas was prikkelbaar, hij verdroeg bijna niets.
Toevallig hoorde ik een jaar of vijf later, in 2007, dat de verpleegkundigen in een truck, een psychosesimulator waren geweest. Ze hadden ondervonden hoe angstig het was als de wereld met zoveel geweld aan geluid, licht en bedreiging binnenkomt. De volumeknop van geluid, licht of welke prikkel dan ook, stond bij mensen met een psychose, veel en veel te hoog. Toen ik dat hoorde begreep ik waarom Thomas onder de dekens kroop, toiletpapier in zijn oren stopte en die handdoek over zijn hoofd deed. De onrust van Thomas werd met de dag erger. Ik had het gevoel dat hij een tijdbom was die elk moment kon ontploffen.
Die bewuste morgen, op 25 april 2002, zag ik aan zijn wilde ogen dat deze dag niet veel goeds voorspelde. Zenuwachtig liep Thomas heen en weer in de gang. Jacob kwam uit de huiskamer en liep de gang in en opeens…
”Jaco! Jaco! Jaco!” Thomas liep op hem af, ”Jaco-Jaco-Jaco-Jaco-Jaco-Jaco-Jáác! Jááác! Jáááác!!“ steeds harder schreeuwde hij. Jacob schrok zich naar, vluchtte de huiskamer in en deed de deur dicht. Thomas kon niet meer stoppen. Heen en weer lopend in de gang bleef hij als een ouderwets haperende langspeelplaat ”Jaco-Jaco-Jac,“ roepen. Kees van der Wiel, die pas nieuw was, en Mieke kwamen erop af en even later kreeg hij van Ingrid Bilderbos een extra spuit Cisidornol in zijn bil. Veel hielp dat niet. Nog geen uur daarna liep hij opnieuw in de gang heen en weer. Hij kon het blijkbaar in zijn bed niet uithouden. De afdeling was zoals gewoonlijk uitgestorven op Antje, Jan en de anderen na. Thomas wist zich duidelijk geen raad met zichzelf.
”Wah”, een korte schreeuw, ”wah”, en nog een keer, ”wah”. Hij rende paniekerig naar de deur van de gesloten afdeling, drukte op de bel, schreeuwde, ”wah-wah-wah“, bonkte op de ruit. Ik had niet het idee dat hij kwaad wilde doen, eerder dat hij bescherming zocht.
Anja, die op de gesloten afdeling werkte, kwam op het geluid af, zag hem staan en schudde met haar wijsvinger en haar hoofd. ”Nee, nee”, riep ze van achter het raam.
Thomas raakte buiten zichzelf van onmacht en woede. Rende terug in de richting van ‘het hok’, pakte in de hal de eerste de beste stoel en smeet hem schreeuwend tegen mij aan. Ik voel nog de kracht en agressie die er in zat. Ik kaatste de stoel terug, hij pakt hem op. Frits, Mieke en Kees, die toegesneld waren, riepen dat hij de stoel moest neerzetten, maar voor dat ze het wisten vloog hij door lucht en ging dwars door de glazen ruit van ‘het hok’. De glassplinters vlogen rond en Thomas zette het op een lopen. Rende door de eerste huiskamer heen en vluchtte door de openstaande deuren (het was zomer) naar buiten met Frits, Mieke en Kees in zijn kielzog.
Wordt vervolgd.
