YN 6-2011
Misbruik in de psychiatrie: Een open deur of een taboe?
Begin jaren ’90 raakte Caro geheel van slag. Ze werd psychotisch, ging zwerven, kon niet meer voor zichzelf zorgen of opkomen. Van crisisopvang naar crisisopvang belandde ze weer op straat, op blote voeten, al haar bezittingen waren weg. Een mooi jong meisje dat gemakkelijk te nemen is. Een junk die je kunt gebruiken. Ze laat het gewillig toe en weet amper wat er gebeurt. Ze praat maar over een grote spijker die in haar hoofd geslagen is, of we dat niet zien? Over wezens die onder in haar rug zitten. Helemaal gek, die griet.
Eenmaal in de psychiatrische inrichting was verpleger Gé wel erg lief voor haar. Hij had echt begrip, gaf haar aandacht, vond haar mooi en lief. Gé nam haar mee uit naar Amsterdam, samen met een vriend. Verwarde Caro kon het niet precies navertellen, maar herinnerde zich dat ze tussen beide mannen in lag. Ze was veel meer in paniek door wat zich in haar hoofd afspeelde, dan door wat er feitelijk met haar gebeurde. Gé maakte afspraakjes met haar die niemand mocht weten.
Toen hij haar tenslotte liet vallen en geen aandacht meer gaf leed Caro daar erg onder, haar verwardheid nam toe. Zij was 18, de verpleegkundige Gé 36 jaar.
Toen ik haar destijds opzocht bleek ze erg van streek en praatte over Gé. Caro had Gé een brief geschreven waarin ze hem kwalijk nam wat hij allemaal gedaan had. Dat hij had gezegd dat hij ‘die gekte uit haar kop wilde neuken’. Ze liet de brief lezen.
De directeur deed er vervolgens alles aan om de zaak in de doofpot te stoppen, bijzonder vriendelijk en voorkomend, vol begrip vooral naar mij, Caro’s moeder, toe. Gé werd op staande voet ontslagen.
Ik vroeg de directeur of hij aangifte had gedaan. Dat kon hij niet, dat kan alleen het slachtoffer zelf doen. Maar Caro had medelijden met Gé en dacht dat het haar schuld was. Ze wou weg uit Apeldoorn en de directeur regelde dat Caro naar Ermelo kon. Toen we naar de nieuwe instelling gingen werd Caro zwaar aan de tand gevoeld over haar ‘motivatie’ die ze niet had. Ze herhaalde steeds dat ze naar een slaaphuis wilde. Ze namen haar niet op. Ze was psychotisch en moest terug naar de vorige instelling. Daar bleek ze al uitgeschreven en haar bed was niet meer beschikbaar.
Caro zwierf rond op het terrein van de inrichting en sliep in het nachtverblijf van de dieren op de kinderboerderij.
En Gé? Die gaat tot op de dag van vandaag waarschijnlijk door met z’n ‘werk’.
