Psychiatrische termen en afkortingen uitgelegd
Van A-opleider tot Zweedse band
Er gaat haast geen dag voorbij of een nieuwe term doet zijn intrede in de psychiatrie, al dan niet met een zinvolle betekenis. Uitleg is er zelden en menigeen ziet door de bomen het bos niet meer. Hier de uitleg van woorden die nog wél betekenis hebben.
Inmiddels wordt ook voorzichtig gewerkt aan een lijst met de vertaling van Engelstalige begrippen rond schizofrenie en psychose. Mocht u bij uw speurtocht op Internet tegen een (vak)term aanlopen die u niet weet te vertalen, dan kunt u het altijd proberen met een mailtje aan de adviesdienst online van Ypsilon.
Direct door naar lijst met afkortingen.
Mist u begrippen of hebt u commentaar op de navolgende opsomming, dan horen wij dat graag.
Begrippen
22q11-deletiesyndroom ~ Genetische aandoening waarbij kleine deeltjes op de lange arm van chromosoom 22 zijn verdwenen. Mensen met deze aandoening hebben 25 procent kans om ook schizofrenie te krijgen.
A-opleider ~ Psychiater die basisartsen opleidt tot psychiater.
Adjuvante medicatie ~ Medicijn dat de werking van een ander middel versterkt zonder zelf werkzaam te zijn.
ADL-functies ~ Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen. Te denken valt aan zelfverzorging, voeding, het voeren van een huishouden en het omgaan met geld.
Affectieve stoornis ~ Letterlijk: stemmingsstoornis. Zie ook schizo-affectieve stoornis.
Affectieve vervlakking ~ Verschraling van het gevoelsleven.
Affectlabiliteit ~ Toestand van sterk wisselende stemmingen.
Agens ~ Werkzame stof.
Agitatie ~ Gemoedsonrust.
Agonist ~ Chemische stof die een verbinding kan aangaan met een receptor op een cel en daarmee een reactie of activiteit in gang zet.
Agranulocytose ~ Ernstige vermindering van het aantal witte bloedlichaampjes, die gepaard gaat met een verstoring van het afweersysteem. Kan een bijwerking zijn van met name clozapine (Leponex).
Aichmofobie ~ Ziekelijke angst voor alles wat scherp is.
Akathisie ~ Onrust, als gevolg van het gebruik van medicijnen. Lichamelijk kan zich dat uiten in bewegingsdrang.
Akinesie ~ Bewegingsarmoede.
Ambulante zorg ~ Alle zorg die patiënten krijgen zonder dat ze opgenomen zijn. Synoniem met extramuraal. Tegenover ambulant staat klinisch of intramuraal: de patiënt is dan wel opgenomen.
Amnesie ~ Geheugenverlies.
Anamnese ~ Ziektegeschiedenis van de patiënt, opgetekend uit verhalen van de betrokkene zelf. Zie ook hetero-anamnese
Anhedonie ~ Toestand waarin zaken die gewoonlijk plezier geven, niet meer bevredigen.
Animisme ~ Neiging om leven toekennen aan levenloze dingen. Zoals een kind bestraffend 'Stoute deur' kan zeggen als het ertegenaan is gelopen.
Antagonist ~ Letterlijk: tegenwerker, tegenstander. Stof (bijvoorbeeld een medicijn) die het effect van een lichaamseigen stof vermindert of tegengaat.
Anticholinergicum ~ Meervoud: anticholinergica. Medicijn dat (vaak met succes) wordt voorgeschreven om de specifieke bijwerkingen van antipsychotica (bijvoorbeeld parkinsonisme) te bestrijden.
Antipsychoticum ~ Meervoud: antipsychotica. Populaire benaming voor neurolepticum.
Apraxie ~ Stoornis in het doelgricht handelen.
Arbeidsrehabilitatie ~ Zie ook rehabilitatie. Vaardigheidstraining voor mensen die ten gevolge van een psychiatrische aandoening niet zonder hulp kunnen (her)intreden op de arbeidsmarkt.
Arbeidstherapie ~ Werk dat patiënten doorgaans in groepsverband onder begeleiding verrichten om hun herstel te bevorderen. Tegenwoordig ook vaak 'arbeidsrehabilitatie' genoemd, om meer nadruk te leggen op de maatschappelijke (re)integratie.
Arbeidstoeleiding ~ Inspanningen om iemand op gerichte wijze -bijvoorbeeld met behulp van testen, begeleiding en/of arbeidstraining- te helpen aan (betaald) werk.
Arts-assistent ~ Afgestudeerd arts die meestal een opleiding volgt om psychiater te worden.
As-I-stoornis ~ Klinische stoornis, ingedeeld in de eerste van de vijf 'assen' van de DSM. Schizofrenie en depressie zijn voorbeelden van As-I-stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen vallen onder As-II. Borderline zit ertussenin.
Atrofie ~ Letterlijk: Tekort aan voedsel. Verschrompeling (bijvoorbeeld van de hersenen), doorgaans als gevolg van een tekort aan voedseltoevoer.
Atypisch middel ~ Antipsychoticum dat minder of geen bijwerkingen veroorzaakt die lijken op de ziekte van Parkinson (stramheid van spieren, onwillekeurig trillen en/of vertraagde beweging). Ook wel middel van de 'tweede generatie' genoemd.
Auditieve hallucinatie ~ Hallucinatie die specifiek betrekking heeft op geluid, bijvoorbeeld het horen van stemmen terwijl niemand spreekt.
Augmentatie ~ Letterlijk: vermeerdering. Toevoeging van bijv. lithium aan antipsychotica als ondersteuning bij de behandeling.
Automutilatie ~ Letterlijk: zelfverminking, zelfbeschadiging.
Avolitie ~ Onvermogen om initiatief te nemen danwel gebrek aan motivatie om een begonnen taak te voltooien.
Balanszelfdoding ~ Zelfdoding nadat de betrokkene de balans heeft opgemaakt en heeft geconstateerd dat hij niet op deze manier wil doorleven.
Batjanhuis ~ 24-uursvoorziening waar langdurig zorgafhankelijke mensen met schizofrenie hun hele leven kunnen blijven wonen. Genoemd naar de eerste woonvorm volgens deze opgezet, gelegen aan de Batjanstraat in Amsterdam Oost.
Begeleid werk ~ Werkvorm waarbij mensen met een handicap of psychiatrische aandoening onder begeleiding van een jobcoach worden geplaatst op een gewone betaalde arbeidsplaats bij een reguliere onderneming of instelling. Ook supported employment genoemd.
Behandelovereenkomst ~ Schriftelijk vastgestelde afspraken over het doel van de behandeling en de manier waarop hiernaar wordt toegewerkt. De behandelaar is wettelijk verplicht zo snel mogelijk met de patiënt een behandelovereenkomst af te sluiten. Het verschilt per hulpverlener of ook de familie bij de opstelling wordt betrokken.
Beloop ~ Verloop van een ziekte.
Bemoeizorg ~ Actieve zorg (met name aan mensen zonder ziekte-inzicht) die wordt geboden zonder dat de patiënt er zelf om heeft gevraagd. Veelal in één adem genoemd met casemanagement. Bij bemoeizorg betreft het echter patiënten die geen zorg zouden krijgen zonder initiatieven van de hulpverlening.
Benchmarking ~ Vergelijken van (bijvoorbeeld: zorg-)instellingen op doelmatigheid en kwaliteit van de zorgverlening..
Benzodiazepine ~ Angstremmend medicijn.
Beschermende woonvorm ~ Bedoeld als alternatief voor het verblijf in een inrichting voor mensen met een (veelal langdurig) psychiatrisch verleden. Om hun zelfstandigheid te stimuleren worden bezigheden als koken en boodschappen doen zo veel mogelijk door de bewoners zelf uitgevoerd. Indien nodig kan de bewoner terugvallen op wijkverpleging of RIAGG, maar in het huis zelf is zo min mogelijk 'zorg' aanwezig.
Bètablokker ~ Medicijn dat het ritme van het hart verlaagt. Soms gebruikt om akathisie tegen te gaan.
Betrekkingswaan ~ Waan waarin men neutrale opmerkingen of gebeurtenissen ten onrechte ziet als een negatieve toespeling op de eigen persoon.
Beveiligingsdwang ~ Dwangbehandeling toegepast in noodsituaties waar het behandelplan niet in heeft voorzien. Staat tegenover therapeutische dwang.
Bewind ~ Maatregel waarbij de rechtbank uitspreekt dat iemand zijn handelingsbekwaamheid verliest op het gebied van (alleen) financiële zaken.
Bezinningsverlof ~ Verhullende term voor een strafmaatregel waarbij de patiënt tijdelijk uit de instelling wordt verwijderd 'om zich te bezinnen hoe hij verder wil'.
BIG-register ~ Landelijk register van mensen die een beschermde titel (als bijvoorbeeld arts, apotheker of verpleegkundige) mogen voeren.
Bipolaire stoornis ~ Nieuwe benaming van manische depressie. Zie aldaar.
Bloedspiegel ~ Concentratie van een stof in het bloed.
Borderline stoornis ~ Stoornis met een voortdurend aanwezig patroon van instabiliteit in stemming, relaties en zelfbeeld, met ten minste 5 van de volgende kenmerken: instabiele en intense relaties, impulsief gedrag, sterk wisselende stemmingen, gebrek aan beheersing van woede, terugkerende dreigingen met zelfdoding en zelfverminking, voortdurende identiteitsstoornissen, chronisch gevoel van leegte of verveling, krampachtig proberen te voorkomen in de steek gelaten te worden.
Bradyfrenie ~ Toestand waarin het denken van de patiënt moeizaam en traag verloopt.
Burn-out ~ Emotionele uitputting als gevolg van een (te) sterke betrokkenheid bij andere mensen.
Casefinding ~ Actief zoeken naar mensen die zorg behoeven (zie ook: bemoeizorg).
Caseload ~ Het aantal patiënten dat één hulpverlener onder zijn/haar hoede heeft.
Casemanagement ~ Ten onrechte vaak gelijkgesteld aan 'bemoeizorg'. Sociaal-psychiatrische begeleiding van patiënten die zich niet tot één instelling beperkt, maar door alle instellingen heen de patiënten volgt. Dit bevordert de continuïteit van zorg. De hulpverlener heet casemanager wanneer hij/zij een aantal vaste patiënten begeleidt, ongeacht waar ze zich bevinden (RIAGG, APZ, RIBW of thuis). Bij veel instellingen komen patiënten pas in aanmerking voor casemanagement als ze twee jaar in zorg zijn.
Cerebrotoxisch ~ Schadelijk voor de hersenen.
Chronische patiënt ~ Patiënt die blijvend afhankelijk is van de hulpverlening na een opname van 2 jaar.
Cognitieve functiestoornissen ~ Stoornissen in de informatieverwerking. Bij mensen met schizofrenie kan men hierbij denken aan een beperkt werkgeheugen of concentratieproblemen.
Cognitieve revalidatie ~ Programma gericht op het verbeteren van specifieke cognitieve functies zoals aandacht, geheugen en probleem oplossen door middel van oefening, instructie en training.
Collocatie ~ (Vlaams:) Gedwongen opname.
Comedicatie ~ Gebruik van meer medicijnen tegelijkertijd (bijvoorbeeld een anticholinergicum naast een antipsychoticum.
Comorbiditeit ~ Het lijden aan meer stoornissen tegelijkertijd (bijvoorbeeld een stemmingsstoornis naast een persoonlijkheidsstoornis).
Compliance ~ Letterlijk: bereidheid. Veelal gebruikt om aan te duiden dat patiënten bereid zijn om medicijnen in te nemen en dat te blijven doen. In die vorm gelijk aan therapietrouw, medicijntrouw.
Concordant ~ Overeenstemmend. Bijvoorbeeld: beide kinderen van een tweeling hebben schizofrenie.
Consensusdocument ~ Letterlijk: eensgezindheid. In het Consensusdocument Schizofrenie hebben behandelaars met inbreng van Ypsilon en Anoiksis geprobeerd gezamenlijk vast te leggen wat zij de (minimale) norm vinden voor een goede behandeling van schizofrenie. Een consensusdocument kan de voorloper zijn van een protocol.
Contra-indicatie ~ Aanwijzing die opname in een bepaalde instelling of inname van een bepaald medicijn in de weg staat. Voorbeeld: drugsgebruik als contra-indicatie voor opname in een RIBW.
Coping ~ Letterlijk: aankunnen, het hoofd bieden. Kunnen omgaan met (de kwetsbaarheid voor) een psychose.
Crisisbed ~ Ten onrechte ook wel time-out bed genoemd. Bed bestemd voor patiënten die een kortdurende crisis hebben maar die niet voldoen aan de criteria voor een reguliere opname. De duur van opname in een crisisbed is meestal 3 tot 5 dagen. De RIAGG beslist zowel over opname als ontslag van de patiënt.
Crisisinterventie ~ Het tijdelijk overnemen van de eigen verantwoordelijkheid als men het zelf even niet meer aankan met als doel om verdere escalatie te voorkomen.
Crisiskaart ~ Kaartje waarop is vastgelegd wat men voor de drager van de kaart moet doen in geval van crisis.
Crowding / Cognitive crowding ~ Het sneeuwbaleffect dat een stoornis in het functioneren van de hersenen problemen kan geven bij de informatieverwerking, die op hun beurt de ontwikkeling van belangrijke vaardigheden kunnen afremmen, met bijvoorbeeld leerstoornissen tot gevolg.
Curatele ~ Maatregel waarbij de rechtbank uitspreekt dat iemand zijn handelingsbekwaamheid verliest op het gebied van zowel persoonlijke als financiële zaken.
Cycloïde psychose ~ Ziektebeeld waarbij de patiënt tussen de psychosen door steeds symptoomvrij is.
Dagbesteding ~ Bezigheden die niet tot doel hebben om te komen tot betaalde of gesubsidieerde arbeid.
Decompenseren ~ Het krijgen van een (nieuwe) psychose.
Defectschizofrenie ~ Vorm van schizofrenie waarbij wanen en hallucinaties (inmiddels) ontbreken, maar met sterke negatieve symptomen.
Deïnstitutionalisering ~ Voorheen: extramuralisatie. Het weer terugbrengen in de maatschappij van de psychiatrie en de psychiatrische patiënt. Zie ook vermaatschappelijking.
Dementia Praecox ~ Letterlijk: vroegtijdige dementie. Verouderde term voor schizofrenie.
Depotmedicatie ~ Medicatie die in een spier wordt geïnjecteerd. Depotmedicatie werkt langer dan pillen, doordat ze veel langzamer door het lichaam wordt opgenomen (enkele dagen tot weken).
Derde partij ~ Beleidsterm van de overheid voor consumenten (patiënten, familie) in de gezondheidszorg. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars vormen de andere twee partijen.
Depressie ~ Stemmingsstoornis die zich onder meer kenmerkt door een sombere stemming, gevoelens van onmacht en lusteloosheid.
Desorganisatie ~ Kenmerk van schizofrenie, zich uitend in bijvoorbeeld wartaal of bizar gedrag.
Diagnose behandelcombinatie ~ Voorziening waarbij alle kosten (behandeling, opname, overhead e.d.) zijn opgenomen. Een DBC biedt instellingen de mogelijkheid om zich meer van elkaar te onderscheiden in kwaliteit en prijs.
Disconnectiviteitstheorie ~ Theorie dat afwijkingen in de witte stof van de hersenen leiden tot verstoring van de communicatie tussen hersencellen, waardoor iemand interne en externe prikkels verkeerd interpreteert.
Discordant ~ Niet overeenstemmend. Bijvoorbeeld: van twee kinderen van een tweeling heeft er eentje schizofrenie en de ander niet.
Dissociatieve (identiteits)stoornis ~ Populair vaak 'gespleten persoonlijkheid' genoemd. Vaak verward met schizofrenie. Voorheen: Meervoudige persoonlijkheidsstoornis.
Districtspsychiater ~ Psychiater die voor een vastgesteld district onderzoek verricht ten bate van de rechtbank.
Dosis ~ Ook: dosering. Hoeveelheid, bijvoorbeeld van een medicijn.
Double bind ~ Letterlijk: dubbele binding. Toestand waarbij iemand het gevoel heeft klem te zitten als gevolg van tegenstrijdige boodschappen van anderen.
Double trouble ~ Letterlijk: dubbel probleem, dubbele zorg. Benaming van de groep die een psychiatrische ziekte heeft in combinatie met een alcohol- of drugsverslaving. Soms ook breder bedoeld (bijvoorbeeld een verstandelijke handicap of problemen met justitie naast een psychiatrische aandoening).
Dubbele diagnose ~ Toestand waarbij de patiënt kampt met twee ziektebeelden tegelijk. Vaak gebruikt als sprake is van een psychiatrische stoornis in combinatie met een verslaving.
Dual diagnosis ~ Letterlijk: dubbele diagnose. Zie aldaar.
Dysforie ~ Voortdurende somberheid, soms gepaard gaand met angst of rusteloosheid.
Dyskinesie ~ Letterlijk: bewegingsstoornis. Zie ook Tardieve dyskinesie.
Dystonie ~ Spierkramp. Bijwerking die met name bij beginnend gebruik van medicijnen voorkomt, vooral in de nekspieren.
Dystymie ~ Depressieve stemmingsstoornis met gebrek aan interesse in de gewone dagelijkse dingen langer dan 2 jaar met ten minste twee van de volgende kenmerken: slechte eetlust of te veel eten, slapeloosheid of te veel slapen, geringe energie of vermoeidheid, gering gevoel van eigenwaarde, slechte concentratie of besluiteloosheid, gevoel van hopeloosheid.
Echolalie ~ Drang tot herhalen van de eigen of andermans woorden.
Echopraxie ~ Drang tot het nadoen van een ander.
Empowerment ~ Letterlijk: machtsverwerving. Het streven naar maximale zelfcontrole zonder onnodige afhankelijkheid van anderen.
Euforie ~ Extreem opgewekte stemming.
Exacerbatie ~ Plotselinge verergering.
Expressed Emotions (EE) ~ Term voor het vaststellen van de mate van kritiek of betrokkenheid van bijvoorbeeld familieleden. Een hoge EE leidt tot stress voor de patiënt en doet de kans op een psychose toenemen.
Extramuralisatie ~ Tegenwoordig: deïnstitutionalisering. Het weer terugbrengen in de maatschappij van de psychiatrie en de psychiatrische patiënt. Zie ook vermaatschappelijking.
Extrapiramidale symptomen ~ Bijwerkingen op het bewegingspatroon, zoals een schuifelende gang, vertraagde bewegingen of beven.
Farmacologie ~ Kennis en leer van medicijnen.
Farmacokinetiek ~ Onderdeel van de medicijnleer dat zich specifiek bezighoudt met de werking van medicijnen op levende wezens.
Farmacotherapie ~ Behandeling met medicijnen.
Farmacovigilantie ~ Onderzoek nadat een medicijn op de markt is gekomen.
Fenotype ~ Verschijningsvorm.
Fixeren ~ Vastbinden, bijvoorbeeld met een Zweedse band.
Floride psychose ~ Letterlijk: bloeiende psychose. Psychose, waarin alle symptomen duidelijk zijn waar te nemen.
Formularium ~ Omschrijving van het beperkte medicijn-assortiment dat in een ziekenhuis wordt gebruikt.
Forensische psychiatrie ~ Letterlijk: gerechtelijke psychiatrie. Psychiatrie die zich richt op patiënten die als gevolg van hun geestestoestand een misdrijf hebben begaan.
Forensische schakel-unit ~ Opvangvoorziening voorzien van cellen die de schakel, de brug moet vormen tussen psychiatrie en justitie.
Gastplaatsing ~ Verhullende term voor opname in een instelling buiten de regio doordat in de eigen regio geen plaats is.
Gedwongen behandeling ~ Betekenis volgens de wet BOPZ: behandeling waarmee de patiënt niet uitdrukkelijk heeft ingestemd. Alleen mogelijk indien sprake is van (dreigend) gevaar tijdens de opname.
Gedwongen opname ~ Betekenis volgens de wet BOPZ: opname waarmee de patiënt niet uitdrukkelijk heeft ingestemd. Alleen mogelijk indien sprake is van (dreigend) gevaar.
Generiek middel ~ Medicijn dat dezelfde werkzame stoffen bevat als het (vaak veel duurdere) merkproduct waarop het is gebaseerd.
Gevaar ~ Sleutelbegrip bij gedwongen opname. Onder gevaar moet volgens de wet BOPZ in dit geval meer worden verstaan dan direct levensgevaar. Ook dreigend gevaar valt eronder, waarbij het niet uitmaakt of het gaat om (dreigend) gevaar voor de patiënt, voor anderen of voor 'de algemene veiligheid van personen of goederen'. Ook zelfverwaarlozing, gevaarlijk gedrag in het verkeer of de psychische gezondheid van anderen kunnen reden zijn voor gedwongen opname.
Glottiskramp ~ Zeldzame, maar levensgevaarlijke bijwerking, waarbij de stemspleet wordt gesloten en de ademhaling wordt bemoeilijkt.
Haldol-equivalent ~ Sterkte van een antipsychoticum, vergeleken met haloperidol (Haldol).
Halfwaardetijd ~ Tijd die nodig is om de aanwezigheid van een medicijn in het lichaam met de helft te verminderen.
Hallucinatie ~ Verstoring in de waarneming. Waarneming zonder dat de zintuigen geprikkeld worden (bijvoorbeeld stemmen horen terwijl niemand spreekt of het zien van dingen die niemand ziet).
Hebefrenie ~ Vorm van schizofrenie waarbij verwardheid en vervlakte emoties centraal staan. Ook kan sprake zijn van vervreemding en zelfverwaarlozing. Opvallend is vaak een vreemde manier van in zichzelf glimlachen.
Hetero-anamnese ~ Ziektegeschiedenis, opgetekend door iemand anders dan de patiënt zelf (bijvoorbeeld een familielid).
Hostel ~ Beschermende woonvorm.
Hospitalisatie ~ Proces waarbij verschijnselen als apathie en gebrek aan initiatief niet het gevolg zijn van een ziekte, maar van het (langdurig) verblijf in een instelling.
Hypertonie ~ Spierstijfheid.
Hypnosedatie ~ Sufheid, slaperigheid.
Hypokinesie ~ Bijwerking die zich uit in minder spontane bewegingen.
Iatrogene aandoening ~ Aandoening door verkeerd medisch handelen ontstaan.
Incidentie ~ Aantal nieuwe ziektegevallen per jaar.
Indicatiestelling ~ Het vaststellen van de zorgbehoefte en het toekennen van hulp.
Indiosyncratisch gedrag ~ Patiëntspecifiek gedrag dat hij vertoont voorafgaand aan de psychose (bijvoorbeeld zich exentriek gaan kleden of een zonnebril gaan dragen).
Inductie ~ Het overnemen van een waan door de omgeving.
Informed consent ~ Letterlijk: geïnformeerde toestemming. Regel dat een onderzoek of behandeling pas mag plaatsvinden als de patiënt beseft wat er gaat gebeuren en hiervoor toestemming heeft gegeven.
Intensief casemanagement ~ Casemanagement waarbij een hulpverlener minder dan 15 patiënten onder zijn hoede heeft.
Intermitterende opname ~ Een met regelmaat, structureel terugkerende tijdelijke opname in een intramurale instelling. Bijvoorbeeld: 3 dagen per week.
Jobcoaching ~ Letterlijk: baanbegeleiding. Begeleiding en ondersteuning op de werkvloer van zowel de betrokkene zelf als diens collega's en leidinggevenden.
Katalepsie ~ Verlies van controle over willekeurige bewegingen, zich uitend in een wasachtige buigzaamheid.
Katatonie ~ Toestand met ernstige afwijkingen van de beweging, bijvoorbeeld: perioden van overmatige beweeglijkheid worden afgewisseld met stilstand.
Kortdurende psychotische stoornis ~ Stoornis waarbij de psychose korter duurt dan 1 maand.
Kwartiermaken ~ Voorwaarden scheppen waardoor mensen met een psychiatrische achtergrond kunnen deelnemen aan het gewone maatschappelijke verkeer.
Leukotomie ~ Letterlijk: 'wittebanendoorsnijding'. Achterhaalde operatieve ingreep, waarbij de verbinding tussen voorhoofdshersenen en hersenkernen wordt doorgesneden.
Leukopenie ~ Tekort aan witte bloedlichaampjes.
Life chart ~ Letterlijk: levensgrafiek. Methode waarbij het ziekteverloop wordt vergeleken met belangrijke gebeurtenissen die daarop mogelijk van invloed zijn geweest.
Lujan-Fryns syndroom ~ Een genetisch in kaart gebrachte vorm van een verstandelijke beperking met de symptomen van schizofrenie.
Luxeren ~ Het waarneembaar worden van psychische problemen. Ook: versnellen (van bijvoorbeeld een terugval).
Maligne neuroleptica syndroom ~ Zeldzame, maar zeer ernstige bijwerking die zich uit in een combinatie van koorts, spierstijfheid en speekselvloed. Meestal gepaard gaande met een snelle hartslag en ademhaling, sterke transpiratie en bewustzijnsdaling.
Malingering ~ Opzettelijk overdrijven van lichamelijke of psychische klachten.
Manie ~ Stemmingsstoornis die zich onder meer kenmerkt door een te opgewekte stemming, gevoelens van almacht en druk gedrag.
Manifest ~ Duidelijk waarneembaar.
Manische depressie ~ Stemmingsstoornis waarin iemand in zijn stemming afwisselend sterke toppen (manieën) en ernstige dalen (depressies) ervaart. Deze stemmingen kunnen enkele dagen tot enkele maanden aanhouden.
Mantelzorg ~ Aanvullende, niet-beroepsmatige zorg verricht door bijvoorbeeld familieleden van de patiënt.
Medicament ~ Medicijn.
Medicatie ~ Medicijn(en).
Mobiel behandelteam ~ Ook wel 'transmuraal team' genoemd. Team van vaste hulpverleners dat werkt volgens het casemanagement-principe.
Melancholie ~ Letterlijk: zwartgalligheid. Gemoedstoestand gekenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen.
Mentorschap ~ Maatregel waarbij de kantonrechter uitspreekt dat iemand zijn handelingsbekwaamheid verliest op het gebied van (alleen) persoonlijke zaken.
Metabool syndroom ~ Stofwisselingsaandoening door te weinig beweging en te veel eten of sterke drank, die het gevolg kan zijn van gebruik van antipsychotica. Men spreekt van een metabool syndroom als ten minste drie van de volgende verschijnselen zich voordoen: hoge bloeddruk, suikerziekte, verhoogd cholesterol, overgewicht en verhoging van de eiwituitscheiding in de urine.
Multifunctioneel centrum ~ Kleinschalige opzet van een psychiatrische kliniek gecombineerd met een polikliniek.
Multiloog ~ Ontmoetingen waarbij patiënten, familieleden, hulpverleners en andere belangstellenden met elkaar praten over de beleving van en ervaring met psychisch lijden.
Multiplex Developmental Disorders ~ Aan autisme verwante stoornis.
Mutisme ~ Toestand van volledig zwijgen.
Nazorg ~ Zorg (bijvoorbeeld door een RIAGG) na ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis.
Negatieve symptomen ~ Het ontbreken van gedrag dat normaal wel aanwezig is. Bijvoorbeeld: weinig spreken, teruggetrokken gedrag, weinig initiatief tonen, weinig gebaren maken of een vlakke gezichtsuitdrukking hebben.
Neurolepticum ~ Meervoud: neuroleptica. Medicijn bedoeld om de psychotische verschijnselen te verminderen of te voorkomen. Gelijk aan: antipsychoticum.
Neurotransmitter ~ Chemische stof in de hersenen die een (remmende dan wel stimulerende) boodschap van de ene zenuwcel naar de andere overbrengt. Voorbeelden: dopamine, serotonine
Normofoor ~ Duur woord voor 'normaal gestemd'
Normofreen ~ Duur woord voor 'het ontbreken van stoornissen in het denken'
Obductie ~ Het uitnemen van weefsel (bijvoorbeeld uit de hersenen).
Off-label voorschrijven ~ Het voorschrijven van medicijnen die niet zijn bedoeld voor de doelgroep of de indicatie.
Ongebonden schilvoorziening ~ Voorziening die buiten de GGz een veilige plek biedt aan mensen met een psychische handicap en zo een “schil” om de GGz vormen. Het betreft inloophuizen, vriendendiensten, informatiewinkel, arbeidsrehabilitatieprojecten, begeleid wonen projecten, zelfhulporganisaties, informatiewinkels, maatjesprojecten etc.
Onderhoudsmedicatie ~ Medicijnen bedoeld om nieuwe psychosen te voorkomen bij patiënten die niet meer psychotisch zijn.
Ontschotting ~ Het streven om de muren (de 'schotten') tussen de verschillende vormen van zorg (APZ, RIAGG, RIBW) te slechten. Dit moet voorkomen dat de patiënt steeds met andere hulpverleners en behandelaars te maken krijgt.
Ophoudkamer ~ Wachtlokaal op het politiebureau (iets humaner ingericht dan een politiecel), bedoeld voor passanten.
Orthostatische hypotensie ~ Verlaagde bloeddruk bij het opstaan, met vaak duizeligheid tot gevolg. Bijwerking van sommige medicijnen.
Outreachende zorg ~ Vorm van zorg waarbij de hulpverlener zijn kantoor verlaat om de patiënt op te zoeken in plaats van andersom.
Paranoïdie ~ Overmatige achterdocht.
Paraplumachtiging ~ Niet-officiële term voor het stellen van voorwaarden bij ontslag uit de inrichting onder de paraplu van een nog lopende rechterlijke machtiging.
Parkinsonisme ~ Parkinson-achtige verschijnselen als gevolg van de bijwerking van medicijnen. Parkinsonisme ontstaat vaak pas dagen tot weken na de start van antipsychotica en kan leiden tot stramheid van de spieren, onwillekeurig trillen en/of vertraagde beweging. Sommige behandelaars signaleren eenzelfde stramheid ook in geestelijke zin.
Pathognomonische symptomen ~ Symptomen die zich specifiek bij 1 ziekte voordoen en niet bij een andere, waardoor de diagnose gemakkelijker is te stellen.
Persisterende psychose ~ Aanhoudende psychose.
Persoonsgebonden budget ~ Budget waarmee de patiënt zijn eigen zorg kan inkopen. Blijft in de psychiatrie vooralsnog beperkt tot zaken die niet de behandeling, maar slechts de begeleiding en verzorging betreffen.
Persoonsvolgend budget ~ Budget waarmee de patiënt niet direct zijn eigen zorg kan inkopen, maar wel zelf de instellingen kan kiezen waar hij wil worden verzorgd.
Placebo ~ Nep-medicijn dat wordt gebruikt om te bewijzen dat een ander, echt medicijn effectiever is en dus beter werkt.
Polydipsie ~ Meer dorst met als gevolg meer drinken. Bijwerking van bijvoorbeeld lithium.
Polyfarmacotherapie ~ Behandeling met verschillende medicijnen tegelijkertijd.
Polyurie ~ Het produceren van veel urine. Bijwerking van Lithium.
Positieve symptomen ~ Verschijnselen die er als gevolg van schizofrenie wel zijn (= positief) terwijl die er niet horen te zijn. Hieronder vallen alle psychotische verschijnselen als wanen, hallucinaties en vreemd gedrag.
Post-mortem onderzoek ~ Onderzoek waarbij de organen (bijvoorbeeld de hersenen) van een overledene worden onderzocht.
Post marketing surveillance ~ Systematisch toezicht op, en wetenschappelijk onderzoek naar alle gewenste en ongewenste werkingen op de gezondheid van een medicijn na introductie op de markt.
Premorbide ~ Aan de ziekte voorafgaand.
Prescriptie ~ Het voorschrijven (van medicijnen).
Prevalentie ~ Het aantal ziektegevallen dat zich binnen een bepaalde periode bij een afgebakende groep voordoet.
Primaire negatieve symptomen ~ Negatieve symptomen die voortkomen uit de stoornis zelf.
Prodromen ~ Letterlijk: voortekenen. Signalen die duiden op een naderende psychose.
Profylactisch ~ Preventief, uit voorzorg (bijvoorbeeld om een nieuwe psychose te voorkomen).
Propfschizofrenie ~ Verouderde term voor de combinatie van schizofrenie en een verstandelijke handicap.
Protocol ~ Dwingend voorschrift waarin is vastgelegd hoe in welke situatie gehandeld dient te worden.
Provisioneel bewindvoerder ~ Letterlijk: tijdelijk bewindvoerder. Iemand die, bijvoorbeeld bij een crisissituatie, tijdelijk het bewind of de curatele verzorgt in afwachting van een definitief oordeel van de rechter.
Pseudologia phantastica ~ Onbeheersbare drang om leugens te vertellen of bijvoorbeeld ernstige ziektebeelden te simuleren.
Psycho-educatie ~ Deel van de behandeling dat zowel de patiënt als de omgeving kan steunen bij het leren omgaan met de ziekte. Voor sommigen staat psycho-educatie gelijk aan voorlichting over de ziekte en de werking en bijwerking van medicijnen. Anderen menen dat psycho-educatie veel méér moet inhouden en pas geslaagd is als mensen de controle over zichzelf weer terug hebben.
Psychogeen ~ Veroorzaakt door psychiatrische factoren.
Psychopathologie ~ Ziekteleer rond psychische en psychiatrische aandoeningen.
Psychose ~ Toestand, meestal van (enige) opwinding, waarin iemand waarnemingen doet en interpreteert die op zijn of haar omgeving als volslagen vreemd en bizar overkomen. Wanen, hallucinaties en chaotisch denken zijn de belangrijkste kenmerken van een psychose.
Puerperale psychose ~ Kraambedpsychose.
QT-interval, Verlengd ~ Hartritmestoornis die soms optreedt als bijwerking van medicijnen. Een verlengd QT-interval kan leiden tot bewusteloosheid en plotselinge hartstilstand ('sudden death').
Rabbit-syndroom ~ Voortdurende trilling van de mond, die lijkt op de kauwbeweging van een konijn. Bijwerking van sommige antipsychotica.
Randpsychose ~ Wat mistige verzamelterm voor kortdurende of heel lichte symptomen die horen bij een psychose.
Rapid cycling ~ Bipolaire stoornis, waarvan de manisch en depressieve episodes elkaar snel afwisselen.
Rauwelijks ontslag ~ Ontslag uit de instelling op staande voet, vaak het gevolg van een incident.
Rebound ~ Letterlijk: terugkaatsing. Reactie nadat het middel is uitgewerkt.
Receptor ~ Letterlijk: ontvanger. Stukje van een zenuwcel dat de cel in staat stelt om met een bepaald type molecuul van buiten de cel te reageren of chemische prikkels te ontvangen. Via deze weg wordt een reactie of activiteit van iemand in gang gezet.
Recidief ~ Letterlijk: herhaling. Terugval in een nieuwe psychose.
Reconversie ~ Letterlijk: terugdraaiing. Trend om van nieuwere antipsychotica weer terug te gaan naar klassieke middelen.
Rehabilitatie ~ Letterlijk: herstel in de vorige staat. Een behandeling die een patiënt moet helpen zijn of haar maatschappelijke rollen weer op te pakken. Denk hierbij aan wonen, werken (arbeidsrehabilitatie), sociale contacten en vrije tijd.
Reïntegratie ~ Het weer volwaardig laten functioneren van een patiënt in de maatschappij met alle sociale rollen die daarbij horen (wonen, werken, etc.).
Relapse ~ Letterlijk: terugval. Terugval in een nieuwe psychose.
Remissie ~ Letterlijk: onderbreking. Vermindering van ziekteverschijnselen zonder dat deze helemaal verdwijnen.
Resocialisatie ~ Herintegratie in de eigen of in een nieuwe sociale omgeving.
Restverschijnselen ~ Verschijnselen die overblijven na de laatst doorgemaakte psychose.
Revalidatie ~ Behandeling die zich richt op het verbeteren van het functioneren van een patiënt met een of meer handicaps. Bij schizofrenie richt de revalidatie zich bijvoorbeeld op het trainen van de concentratie, de aandacht, het geheugen en de sociale vaardigheden van de patiënt.
Richtlijn ~ Aanbeveling voor het geven van de best mogelijke zorg.
Rigiditeit ~ Spierstijfheid.
Salience Dysregulation Syndrome ~ Letterlijk: Vertekend waarnemingssyndroom. Alternatief voor de stigmatiserend geachte term schizofrenie.
Salivatio ~ Speekselvloed.
Schilvoorziening ~ Zie Ongebonden schilvoorziening.
Schizo-affectieve stoornis ~ Stoornis die zowel kenmerken heeft van schizofrenie als van manische depressie.
Schizofrenie ~ Stoornis waarbij men gedurende een maand 2 van de 5 volgende symptomen heeft gehad: wanen, hallucinaties, desorganisatie, katatoon gedrag of negatieve symptomen. Tevens moet sprake zijn van een sterk afnemend sociaal functioneren. (Omschrijving volgens de Amerikaanse standaard DSM-IV).
Schizofreniforme stoornis ~ Stoornis met een gunstiger verloop dan schizofrenie, waarbij de psychose langer duurt dan 1 maand en korter dan 6 maanden.
Schizofrenogene moeder ~ Achterhaald begrip uit de tijd dat men ervan uitging dat de moeder schuld had aan de schizofrenie van haar kind.
Schizoïde persoonlijkheid ~ Persoonlijkheidsstoornis waarbij de betrokkene weinig tot geen behoefte heeft aan hechte relaties en het liefst met rust gelaten wil worden.
Schizoïde psychose ~ Psychose, direct volgend op een trauma. De symptomen kunnen als ernstig overkomen, maar zijn vaak na korte tijd weer verdwenen.
Schizotypische persoonlijkheid ~ Persoonlijkheidsstoornis met als kenmerken onder meer ongebruikelijke uitingen van gedag, spraak, overtuiging (magisch denken), betrekkingsideeën en achterdocht.
Second opinion ~ Letterlijk: tweede mening. Oordeel van een andere deskundige dan de behandelend psychiater over de diagnose, behandeling of medicatie.
Secundaire negatieve symptomen ~ Negatieve symptomen die niet voortkomen uit de stoornis zelf, maar zijn toe te schrijven aan de reactie van de patiënt en omgeving op de stoornis, zoals verliesverwerking, depressie na een psychose of sociale angst als gevolg van het stigma.
Sedatie ~ Versuffing, slaperigheid. Veel antipsychotica werken ook sederend.
Semimurale zorg ~ Zorg die gedurende een gedeelte van de dag binnen een instelling plaatsvindt.
Separeren ~ Afzonderen in een prikkelarme ruimte waar de patiënt weinig mogelijkheden heeft om zichzelf te verwonden of vernielingen aan te richten.
Significant ~ Statistisch betekenisvol.
Smelttablet ~ Pilvorm die zonder water kan worden ingenomen omdat de tablet direct op de tong smelt.
Sociale activering ~ Het aanbieden van bezigheden om de dag zinvol door te brengen en het sociaal isolement te doorbreken.
Sociale werkvoorziening ~ Ook: SW-bedrijf genoemd. Voorziening die aangepast werk onder aangepaste omstandigheden biedt aan mensen met een arbeidshandicap. Doel: mensen die niet in staat zijn tot het verrichten van regelmatige arbeid toeleiden naar (betaald) werk.
Socio-woning ~ Woning op het terrein van een psychiatrisch ziekenhuis waarin de patiënt een vorm van beschermd wonen wordt geboden.
Sociotoxisch ~ Schadelijk voor het welzijn en functioneren van patiënt en omgeving.
Somnolentie ~ Toestand van diepe slaap, waarbij de patient nog wel door prikkels kan worden gewekt.
Sterretjespatiënt ~ Patiënt die in een tbs-kliniek zit, terwijl hij geen misdrijf heeft begaan.
Stressor ~ Stressverhogende factor.
Stupor ~ Letterlijk: verdoving. Toestand van volledige bewegingloosheid tezamen met volledig zwijgen (mutisme). Mensen met een katatone stupor kunnen soms urenlang in dezelfde (ongemakkelijke) houding staan.
Supported employment ~ Letterlijk: begeleid werk. Zie aldaar.
Symbiotische relatie ~ Achterhaalde verklaring voor het ontstaan van schizofrenie, duidend op een te sterke band tussen bijvoorbeeld moeder en patiënt.
Syndroom ~ Groep symptomen die samen optreden.
Syndroom van DiGeorge ~ Zie 22q11-deletiesyndroom.
Systeemtherapie ~ Behandeling gericht op herstel van het netwerk (het 'systeem') van de patiënt. Doorgaans betreft het hier het hele gezin.
Tandradverschijnsel ~ Bijwerking die samenhangt met parkinsonisme, waarbij bijvoorbeeld een arm zich alleen schoksgewijs kan strekken - alsof in de elleboog een tandrad-scharnier zit.
Tardieve dyskinesie ~ Letterlijk: laattijdige bewegingsstoornis. Ernstige en soms blijvende bewegingsstoornis (meestal van mond en tong) als gevolg van langdurig medicijngebruik.
Tentamen suicidii ~ Letterlijk: Poging tot zelfdoding.
Therapeutische dwang ~ Gedwongen behandeling wegens ernstig gevaar, op basis van een eerder vastgesteld behandelplan. Staat tegenover beveiligingsdwang.
Therapieresistent ~ Niet vatbaar voor behandeling. Mensen zijn therapieresistent als geen enkele behandeling aanslaat.
Time-out ~ Ordemaatregel waarbij de patiënt tijdelijk geen gebruik kan maken van bepaalde zorg, bedoeld om hem in het vervolg te laten meewerken aan de behandeling.
Time-out bed ~ Ook 'bed op recept' genoemd. Bed bestemd voor patiënten waarbij preventie van escalatie voorop staat. Er is dus nog geen sprake van een echte crisis. De opnameduur is beperkt (meestal 3 dagen).
Tolerantie ~ Bij drugs: gewenning, waardoor men heeft steeds meer nodig om hetzelfde effect te bereiken.
Transmuraal team ~ Zie mobiel behandelteam.
Tremor ~ Beving, trilling.
Triade ~ Letterlijk: driehoek. Het triade-model gaat ervan uit dat patiënt, familie en behandelaar de hoekpunten vormen van dezelfde driehoek. Zonder de inbreng van een van hen is een goede behandeling niet mogelijk.
Turn over ~ Het aantal patiënten per plaats of bed.
Type A-bijwerking ~ Bijwerking die op basis van de samenstelling van het medicijn kan worden voorspeld.
Type B-bijwerking ~ Minder vaak optredende bijwerking die niet op basis van de samenstelling van het medicijn kan worden voorspeld.
Uitsluiptijd ~ Tijd die nodig is om een medicijn af te bouwen voordat het verantwoord is om eventueel op een ander middel over te stappen.
Velocardiofaciaal syndroom ~ Zie 22q11-deletiesyndroom.
Ventrikel ~ (Hersen)holte.
Vermaatschappelijking ~ Herinrichting van de zorg, waarbij men ernaar streeft dat de patiënt weer volwaardig kan deelnemen aan de maatschappij, met alle sociale rollen die daarbij horen (wonen, werken, etc.).
Voorwaardelijke (rechterlijke) machtiging ~ Rechterlijke machtiging ter voorkoming van een gedwongen opname door het stellen van voorwaarden over behandeling en gedrag van de patiënt. (Heeft momenteel status van wetsvoorstel.)
Vroegdetectie ~ Letterlijk: vroege opsporing. Poging om schizofrenie al in het vroegste stadium te signaleren.
Vrijgevestigd psychiater ~ Zelfstandig psychiater die niet in dienst werkt van een instelling.
Waan ~ Denkbeeld of overtuiging die in strijd is met wat in de heersende cultuur als realiteit wordt gezien.
Weesgeneesmiddel ~ Medicijn voor een kleine groep patiënten ter bestrijding van een zeldzame aandoening.
Wisselwerking ~ Invloed die medicijnen op elkaars werking en/of bijwerking kunnen hebben bij gelijktijdig gebruik.
Xerostomie ~ Droge mond als gevolg van slecht functionerende speekselklieren (bijwerking van antipsychotica).
Zelfbindingsverklaring ~ Ook wel 'wilsverklaring' of 'zelfbindingscontract' genoemd. Verklaring waarin de patiënt vooraf vastlegt welke behandeling hij wenst wanneer hij opnieuw psychotisch of manisch wordt. De verklaring heeft vooralsnog geen rechtskracht, maar wat de ministerraad betreft komt hierin verandering.
Zorgarrangement ~ Model waarin wordt uitgestippeld welke zorg een patiënt nu en in de toekomst nodig heeft.
Zorgcircuit ~ Verzameling afdelingen voor mensen met dezelfde problematiek.
Zorgkantoor ~ Verantwoordelijke voor de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Meestal is het ondergebracht bij een grote ziektekostenverzekeraar in de regio waar u woont.
Zorgprogramma ~ Beschrijving van het hulpaanbod van een instelling voor een bepaalde groep.
Zweedse band ~ Reep van stevige stof om een patiënt mee vast te maken.
Naar begin van de pagina.
Terug naar begrippenlijst.
Veel gebruikte afkortingen
ACBG ~ Agentschap van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen
ADH ~ Aanbevolen Dagelijkse Hoeveelheid
AFP ~ Ambulante Forensische Psychiatrie
ADL ~ Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen
ADO ~ Arbeid, Dagbesteding en Opleiding
ADONIS ~ Alcohol, Drugs en Overige middelen Nederlands Informatie Systeem
AGGZ ~ Ambulante geestelijke gezondheidszorg
AMW ~ Algemeen Maatschappelijk Werk
APD ~ Acuut Psychiatrische Dienst
APZ ~ Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis
AWBZ ~ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
BES ~ Betrokkenen evaluatieschaal
BIBA ~ Bijzondere individuele begeleidingsafdeling
BIG (wet) ~ Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Zie ook BIG-register.
BOPZ (wet) ~ Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen
BW (BeWo) ~ Beschermende Woonvorm
BZA ~ Bijzondere zorgafdeling
BZW ~ Begeleid Zelfstandig Wonen
CAD ~ Consultatiebureau Alcohol en Drugs
CBG ~ College ter Beoordeling van Geneesmiddelen
CIZ ~ Centrum Indicatiestelling Zorg
CMT ~ Centraal Medisch Tuchtcollege
COMPRO ~ Communicatieproject psychisch lijden
COOV ~ Centraal Orgaan Opleidingen voor Verpleegkundigen
CPZ ~ Categoraal Psychiatrisch Ziekenhuis
CRD ~ Centrale RIAGG-Dienst
CT ~ Computertomografie (hersenscan)
CvP ~ Centrum voor Psychiatrie
CWI ~ Centrum voor Werk en Inkomen (voorheen: Arbeidsbureau)
DAC ~ Dagactiviteitencentrum
DBC ~ Diagnose behandelcombinatie
DETOX ~ Detoxificatie, bij afkicken van alcohol en drugs
DIS ~ Dissociatieve identiteitsstoornis
DPD ~ Districtspsychiatrische dienst (tegenwoordig: FPD)
DSM (III resp. IV) ~ Diagnostic and Statistic Manual of mental disorders (3e resp. 4e editie)
ECL ~ Ervaringsdeskundige cursusleider
ECT ~ Elektroconvulsietherapie (elektroshocktherapie)
EEG ~ Elektro-encefalogram (hersenonderzoek)
EPS ~ Extrapiramidale symptomen
EUFAMI ~ European federation of associations of families of mentally ill people
EXP ~ Expiratie (van medicijnen: Niet gebruiken na)
EZP ~ Extramuraal Zorgzwaartepakket
FGZ ~ Feedback Gestuurde Zorg
FOBA ~ Forensisch observatie- en begeleidingsafdeling
FPA ~ Forensisch Psychiatrische Afdeling
FPD ~ Forensisch Psychiatrische Dienst
FPK ~ Forensisch Psychiatrische Kliniek
FPP ~ Forensisch Psychiatrische Polikliniek
FSU ~ Forensische schakel-unit
GBGB ~ Geen Bereidheid - Geen Bezwaar (tegen opname)
GGD ~ Gemeentelijke gezondheidsdienst
GGZ ~ Geestelijke gezondheidszorg
GIGV ~ Geneeskundige Inspectie Geestelijke Volksgezondheid (nu: IGZ)
GLIAGG ~ Gereformeerde Landelijke Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
GLIBW ~ Gereformeerde Landelijke Instelling voor Beschermd Wonen
GPZ ~ Gereformeerd Psychiatrisch Ziekenhuis
GROUP-onderzoek ~ Genetic Risk and Outcome of Psychosis (voorheen 'Geestkracht' geheten)
GVS ~ Geneesmiddelen vergoedingssysteem
HAGRO ~ Huisartsengroep
HDL ~ Huishoudelijke Dagelijkse Levensverrichtingen
HvB ~ Huis van Bewaring
IBA ~ Individuele begeleidingsafdeling
IBS ~ Inbewaringstelling
ICD (-10) ~ International Classification of Diseases (10e editie)
ICM ~ Intensief casemanagement
IGGZ ~ Intramurale geestelijke gezondheidszorg
IGZ ~ Inspectie voor de gezondheidszorg
IKG ~ Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg
IOG ~ Indicatie-overleg GGZ
IPD ~ Instituut Psychiatrische Deeltijdbehandeling
IPT ~ Intensief Psychiatrische Thuiszorg
IPZ ~ Instituut voor Psychiatrische Zorg
ISD-maatregel ~Maatregel Inrichting Stelselmatige Daders
IVA, Regeling ~ Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten
JAGGZ ~ Joodse Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
JOZ ~ Jaaroverzicht zorg
KIB ~ Kliniek voor Intensieve Behandeling
KJP ~ Kinder- en jeugdpsychiatrie
KOPP ~ Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problemen
Lareb (stichting) ~ Landelijke registratie evaluatie bijwerkingen
LEE ~ Landelijke Evaluatiecommissie ECT
LIP ~ Landelijk Informatiepunt Patiënten
LOREP ~ Landelijk overleg regionale patiënten/consumenten platforms
LPI ~ 's Lands Psychiatrische Inrichting (tegenwoordig: PCS)
LPR ~ (Stichting) Landelijke patiëntenraden
LSDA ~ Landelijk Steunpunt Dagbesteding en Arbeidsrehabilitatie voor Mensen met een Psychiatrische Achtergrond
LSOVD ~ Landelijke Stichting Ouders Van Drugsverslaafden
M&M ~ Middelen en Maatregelen (dwangmaatregelen van de BOPZ)
MBT ~ Mobiel behandelteam
MCDD ~ Multiple Complex Developmental Disorders
MDD ~ Multiplex Developmental Disorders
MFC ~ Multifunctioneel centrum
MFE ~ Multifunctionele eenheid (later ook RGC genoemd)
MNS ~ Maligne Neuroleptica Syndroom
MOgroep ~ Maatschappelijk Ondernemen Groep
MPS ~ Meervoudig persoonlijkheidssyndroom
MRI ~ Magnetic Resonance Imaging (hersenscan)
NHB ~ Nederlandse hersenbank
NIZW ~ Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn
NAO ~ Niet Anders Omschreven
NOSW ~ Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening
NP/CF ~ Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie
NVPV ~ Nederlandse Vereniging van Psychiatrisch Verpleegkundigen
NVSPV ~ Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen
OGGZ ~ Openbare geestelijke gezondheidszorg
OPS ~ Organisch Psychosyndroom door Solventen
OPZ ~ Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis (Vlaams)
PAAZ ~ Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis
PBC ~ Pieter Baan Centrum
PC ~ Psychiatrisch Centrum
PCS ~ Psychiatrisch Centrum Suriname
PGB ~ Persoonsgebonden budget
PIJ ~ Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen
PION ~ Psychiatrische Intensieve Ondersteunende Nazorg
PIT ~ Psychiatrisch Intensieve Thuiszorg
PMS ~ Psychomedisch streekcentrum
PMT ~ Psychomotorische therapie, Psychomedisch team
PO ~ Psychologisch Onderzoek
POK ~ Psychiatrische observatiekliniek
PPPC ~ Psychiatrische Poliklinieken Psychiatrische Centra
PSC ~ Penitentiair selectiecentrum
PTZ ~ Psychiatrische thuiszorg
PUK ~ Psychiatrische universiteitskliniek
PVB ~ Persoonsvolgend budget
PZ ~ Psychiatrisch Ziekenhuis
RCO ~ Regionale Cliënten Organisatie
REA ~ (Re)integratie arbeidsgehandicapten (wet)
Reso ~ Resocialisatie-afdeling
RGC ~ Regionaal GGZ Centrum
RIAGG ~ Regionale Instelling voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg
RIBW ~ Regionale Instelling Beschermd Wonen
RIC ~ Regionale indicatiecommissie
RIGO ~ Rijksinstituut voor geneesmiddelenonderzoek
RINO ~ Regionaal Instituut voor Nascholing en Opleiding
RIO ~ Regionaal Indicatie Orgaan (tegenwoordig: CIZ)
RM ~ Rechterlijke Machtiging
RNO (riagg) ~ Rijmond noord-oost
RPC ~ Regionaal Psychiatrisch Centrum
RP/CP ~ Regionaal patiënten/consumentenplatform
RVG ~ Register Van Geneesmiddelen
RVVZ ~ (Fonds) Reserves Voormalige Vrijwillige Ziekenfondsverzekeringen
RVZ ~ Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
SLKF ~ Stichting Landelijke Koepel Familieraden
SGA ~ Sterk Gedragsgestoorde Agressieve patiënten
SGLVG ~ Sterk Gedragsgestoord Licht Verstandelijk Gehandicapt
SPD ~ Sociaal Psychiatrische Dienst (in 1981 opgegaan in de RIAGG)
SPH ~ Sociaal Pedagogisch Hulpverlener
SPV ~ Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige
SSN ~ Schizofrenie Stichting Nederland
SVT ~ Socialevaardigheidstraining
SW ~ Sociale Werkvoorziening, Sociale Werkplaats
TBS ~ Terbeschikkingstelling, voorheen TBR
TD ~ Tardieve Dyskinesie
TDD ~ Ter de die, Latijn voor: drie maal daags
TIZ ~ Team Integrale Zorg
TKZ ~ Topklinische zorg
TS ~ Tentamen suicidii
UMC ~ Universitair Medisch Centrum
UWV ~ Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
VOG ~ Vereniging van Ondernemingen in de Gepremieerde en gesubsidieerde sector (nu: MOgroep)
VWS (ministerie) ~ Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Wajong ~ Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
WAO ~ Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (per 1-1-2006: WIA)
WGA, Regeling ~ Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten
WGBO ~ Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst
WIA ~ Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (voorheen: WAO)
WIW ~ Wet Inschakeling Werkzoekenden
WMO ~ Wet Maatschappelijke Ondersteuning
WSNP ~ Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen
WSW ~ Wet Sociale Werkvoorziening
WVG ~ Wet Voorzieningen Gehandicapten
WZV ~ Wet ziekenhuisvoorzieningen
ZIB ~ Zeer Intensieve Begeleiding
ZIN ~ Zorg In Natura
ZIZ ~ Zeer Intensieve Zorgplaats
ZonMW ~ Zorgonderzoek Nederland en NWO-Medische Wetenschappen (gefuseerd tot ZonMw)
ZVW ~ Zorgverzekeringswet
ZZP ~ Zorgzwaartepakket


(nog) geen diagnose