In samenwerking met Anoiksis heeft de Stichting Interactie de ‘Interactievaardigheidstraining voor patiënten’ ontwikkeld. Er zullen zes tot acht pilots, proeftrainingen, plaatsvinden. Na evaluatie zal de training officieel van start gaan. Er worden op dit moment zowel klinische pilots gegeven, voor mensen die opgenomen zijn, als voor mensen die buiten de APZ leven. Het zijn met name jongeren die deelnemen aan de training. De training wordt zeven weken gegeven en duurt twee uur per keer. Pas als de definitieve versie klaar is kan men zich hiervoor opgeven. U wordt door Ypsilon Nieuws op de hoogte gehouden.


Training interactievaardigheden voor patiënten

De andere kant van de mat

Veel leden van Ypsilon hebben de Interactievaardigheidstraining voor familieleden gevolgd. En met succes, de positieve reacties heeft u uitvoerig in Ypsilon Nieuws kunnen lezen. Al eerder was de training ontwikkeld voor hulpverleners. Nu is–ie er ook voor mensen met een psychotische stoornis, voor patiënten. De eerste pilots zijn inmiddels gehouden en Tineke Verweij stak haar licht op bij de trainers, psychiater Tom Kuipers en psycholoog Bas van Raay.

Waarom is er een training voor patiënten ontwikkeld, hoe kwamen jullie op dat idee?

“Voor ons is het nooit een vraag geweest om het wel of niet te doen, het ligt voor de hand”, verklaart Van Raay. “Het is ook uitgangspunt van de Stichting Interactie. Als je in de driehoek patiënt –hulpverlener–familie de samenwerking wil bevorderen, moet je ook bij alledrie iets doen”, vult Kuiper aan. “Je ziet natuurlijk wel mensen die niet geconcentreerd zijn, die worden afgeleid door interne ervaringen of weinig initiatief hebben om mee te doen”, gaat hij verder, “maar de opzet van de training laat toe dat dit mag. Wij hoeven als trainers niet iedereen die een beetje achter blijft bij zijn kladden te grijpen om mee te doen. Iedereen zit in de training met de inzet die hij heeft, de deelnemers mogen er zijn zoals ze zijn. “Inclusief hun beperkingen”, valt Van Raay bij. Hij noemt een belangrijke grondregel: “Men mag passen.” En alleen al die regel maakt het geweldig spannend voor ons; aan de ene kant hoeven mensen niets en mogen ze weggaan, aan de andere kant zitten we dan met de vraag: “Komen ze nog terug?” Maar juist die vrijheid maakt dat ze zonder schuldgevoel weer terug kunnen komen. Helaas moeten we soms constateren dat we ze kwijt zijn. Dat is wel eens gebeurd. Voordat we de definitieve versie vaststellen moeten we goed uitzoeken in hoeverre je moet ‘prikkelen’ en moet ‘laten’.

Wat is het grootste verschil tussen de training voor familieleden en voor patiënten?

Kuiper: “Een van de dingen die ik moeilijk vind bij patiënten is dat je vrij dicht op de problemen staat waar ze echt mee worstelen, je staat dichter bij de afgrond. Dat is confronterend, je proeft de ellende soms heel goed. Dat vereist van trainers dat ze veel controle moeten hebben over hun eigen emotionele huishouding. Ik vind het ook spannend, spannender dan de andere groepen door de onvoorspelbaarheid. Voor de rest valt het me ontzettend mee, want het gaat over omgangsproblemen en die problemen zelf zijn niet door de ziekte gekleurd. Er is een grote overlap met wat andere mensen ook hebben”. Van Raay: “Patienten maken meer gebruik van de grondregel “Ik pas” en er is verschil in de mate van contact, die is bij patiënten minder. We weten nog niet of dat te maken heeft met de opzet en de groepsgrootte. Wat ik interessant vind is dat in alle trainingen, waar het ging over ‘handicaps’ van de ander of van jezelf, dat die momenten het meest contactrijk waren. Dat vind ik hoopvol. Ondanks dat er zoveel ontkenning is gaat het uiteindelijk toch over henzelf en dan is er meer intensiteit in het contact. Dan klopt het hart harder, zal ik maar zeggen. Dat hebben we in de laatste pilot meer gevoeld dan in de eerste”.

Je hebt het over ‘handicaps’ wat bedoel je daar precies mee?

“Handicaps zijn beperkingen die mensen hebben tengevolge van schizofrenie.” vertelt Van Raay. “In deze training ligt het accent op beperkingen in de sociale omgang. We introduceren de handicaps als iets wat cliënten ons vertellen, zij rapporteren ons waar ze moeite hebben. Hierdoor hebben ze zelf de mogelijkheid om te zeggen, dit herken ik wel maar dat niet. Een belangrijk gegeven is dat ze zelf de regie houden en kunnen kiezen”. Kuiper voegt er aan toe: “We zijn onderling in discussie over hoe je het ‘kan niet’ van de patiënt zelf in de training kan zetten. Want voor je het weet zit je weer in de rol van de hulpverlener en dat wil je als trainer niet.” Van Raay is het daar mee eens: “Waar het om gaat is dat je op zo’n manier binnenkomt bij die handicaps dat ze het niet over zichzelf hoeven hebben in termen van ‘ziek’. Terwijl ze in het accepteren van dat het–is–zoals–het–is bij de ander, wel degelijk geconfronteerd worden met absolute ‘kan niets’ bij zichzelf.

Als ik het goed beluister hebben familieleden ook hun handicaps, terwijl het accent altijd bij die patiënt ligt, want die is immers ziek. Hebben jullie het in de cursus ook over de handicaps van familieleden?

“Ja, absoluut” beaamt Van Raay, “Maar de handicaps van familieleden worden niet door ons gerapporteerd maar door de cursisten zelf. Wij stellen dan de vraag; is dat gedrag van je vader of moeder nu ‘wìl niet anders’ of ‘kàn niet anders’? Dan zie je ze denken en soms komen ze tot de conclusie: hij of zij kàn niet anders en dat is interessant want dan moeten ze een beweging maken van acceptatie en op dat moment krijgen ze daarmee iets terug, namelijk hun eigen tas. Als ze zien dat hún tas door familie wordt gedragen, begrijpen ze waarom die ouder steeds loopt te helpen. Op deze manier worden ze verrast door hun eigen beperkingen en dan groeit het inzicht. ” Het blijkt dat net als in de familietraining mensen via de handicaps van de ander achter hun eigen pijn en rouw komen. Een Aha–erlebnis die inslaat als een bom. Daarom is die tas zo belangrijk!”.

Uit ervaring weet ik dat die tas inderdaad veel indruk maakt op familieleden. Is dit ook zo bij patiënten?

“Ja, zeker” antwoordt Van Raay, “maar waar wij erg mee worstelen is op welk moment je de tassen moet introduceren. We hebben in de eerste pilot meegemaakt dat we bij de tweede of derde sessie de tas introduceerden en dat was een hele schok, het kwam hard aan en er was een meisje dat meteen afhaakte”. Dus de tas is niet zo succesvol? Van Raay: “Nee, de tas is wèl succesvol, maar hij is zwaar. We moeten de tas niet te snel inzetten. In Utrecht hebben we de hem later geïntroduceerd en daar ging het heel goed. Het lijkt er dus op dat je die tas later moet inzetten, als de band met de groep wat steviger is, zodat ze hem ook kunnen dragen.”

Door de trainingen voor familieleden weten jullie waar de problemen voor familieleden liggen in de interactie met familielid. Doen jullie daar iets mee?

“Mensen komen in de cursus met dingen die zij persoonlijk moeilijk vinden, daar halen zij hun leerdoel vandaan en daar wordt aan gewerkt” doet Kuipers uit de doeken. Van Raay maakt het concreet: “Iemand heeft als leerdoel: “Mijn moeder zit mij altijd op de huid en ik wil dat dat stopt.” Je kunt er natuurlijk gif op innemen dat die moeder in de familietraining het leerdoel had: “Ik wil mijn zoon confronteren met zijn gedrag.” of iets dergelijks. Maar het is niet zo dat we het uitwisselen, we zijn geen doorgeefluik.”

“Het gevolg van deze twee groepen is wel dat er al verschillende mensen graag met hun zoon of dochter willen oefenen op de mat”, vertelt Kuipers. “Maar dat we hebben nog niet in het pakket zitten. Van Raay reageert bedenkelijk: “Maar het is wel even wat anders of je met een andere cursist of met de trainer kan oefenen of met je eigen zoon. Want dan gaan de billen bloot, dan zeg je niet: “Nee zoon, dat is niet waar het over gaat, ik zie dat je het niet kàn.”. Nou, en wat dan…? Op het moment dat je de mensen met elkaar confronteert en je dat als trainer gaat begeleiden dan is het geen oefening meer. Dan heb je dus een echte confrontatie? In zekere zin hou je in de training met familieleden de regie over de afstand, je doseert je eigen rouw”. Kuipers: “Maar zolang dit instrument, de training, deugt, kun je ook in het echt iets hebben aan de toepassing hiervan, ik zie daar niet zo tegenop.” De discussie gaat door: Kijk, de training gaat niet sec om de confrontatie. De training gaat over een interne beweging die je maakt, waardoor je op een andere manier kijkt naar wat zich afspeelt”. Met expressieve gebaren laat hij die interne beweging zien. “Ik denk dat mensen op heel verschillende manieren het effect van de training ervaren. Wij moeten ook niet willen dat het een of andere vorm krijgt, het is gewoon zoals het uitpakt. Je moet ook niet uitsluiten dat het niet helpt” vervolgt Kuiper nuchter.

Aan het begin van de training vragen jullie altijd aan iedere cursist of ze een leerdoel hebben. Wat voor leerdoelen worden er door deze cursisten genoemd?

Bas van Raay, die vandaag net een training heeft gegeven, vouwt de vellen van de flapover open en leest voor:
“Ik wil leren meteen te zeggen wat ik denk als ik bezwaar maak tegen het gedrag van een ander. Dat ik gewoon kan zeggen wat er is. Het resultaat is dat ik dan minder spanningen heb in mijn lichaam en meer rust”.
“Ik wil leren duidelijk te zijn, ‘nee’ te zeggen want dan verlies ik minder energie.”
“Ik wil leren anderen te confronteren met mijn grens zonder het contact of de kans op samenwerking te verliezen. Resultaat; beter contact.”
“Ik wil leren contact te maken en te onderhouden met een ander, dan heb ik namelijk meer dagelijks geluk”.

Als ik dit zo hoor, lijken deze leerdoelen verdraaid veel op die van de familieleden. Lijken de oefeningen die zich op de mat afspelen ook op die van de familie?

“Dat klopt, het gaat steeds weer over grenzen stellen en bewaken”, geeft Kuipers aan. “Ook wat zich op de mat afspeelt heeft daarmee te maken. Het niet goed kunnen of durven uitspreken waar je grens ligt is een belangrijk probleem. Daarnaast voelen sommige cursisten niet eens dat hun grenzen worden overschreden of pas achteraf. Ze kunnen zichzelf niet beschermen, ook niet tegen de goedwillende invloed van familie of vrienden. Dat levert een enorm probleem op”.

Van Raay denkt even na en noemt een voorbeeld: “Een jongen zegt: “Mijn moeder vertelt mijn hele hebben en houden aan een hulpverlener en dat moet ze niet doen. Dat komt me mijn neus uit. Zij vertelt mijn privé zaken aan derden en dat wil ik zelf doen”. Maar hij kan het haar niet verhinderen en niet op een normale manier zeggen dat hij dat zelf wil doen, dat geeft te veel spanning. Bovendien wil hij zijn moeder niet kwetsen maar hij is wel altijd boos.” Dat de mat is een bruikbaar middel blijkt uit de enquête. In de ene groep was 75% het daar mee eens in de andere groep 100%. Een leuke reactie op de mat kwam van een meisje die verrast uitriep:“Rood mag, je kan toch door één deur blijven gaan”.

Wat zijn de reacties over het algemeen op de cursus, hebben jullie na afloop een enquête afgenomen?

De enquêtes van de training liggen binnen handbereik van Tom Kuipers en de stellingen en percentages vliegen over tafel: Op de stelling; “Deze cursus was zinvol voor mij” zegt in de ene groep bijna 90% “ja” en de andere groep 100%. De training scoort behoorlijk. Het merendeel had een leerdoel geformuleerd en gehaald en vindt dat hij/zij beter in staat is te laten zien waar hij/zij staat.”

Nu wordt deze enquête meteen na de training afgenomen, dan is iedereen nog enthousiast maar hebben jullie ook het idee dat het beklijft?

“Nee, dat weten we niet”, bekent Kuipers. “Bij ons in de kliniek worden wel observaties gedaan. Zowel het team als de patiënten hebben de training gedaan en wat je ziet is dat ze onderling het jargon van de training gebruiken. Over een hoop conflicten hoeven ze niet meer moeilijk te doen, dan zeggen ze gewoon: “Ik sta op rood”. Soms hoor ik een plof en dan valt er weer een tas op de grond”, grapt Kuipers. “Had je anders discussies van uren, met het gebaar van de tas hoef je die niet meer te voeren, dat zegt genoeg. Maar dit zijn incidentele observaties waarbij je ziet dat er iets blijft hangen. Het moet wel bekrachtigd worden anders slijt het weer weg. In ons team worden eens in de maand de problemen in de omgang met de patiënt op de mat uitgespeeld en geoefend. Bij de patiënten zou je iets vergelijkbaar moeten doen, eens in de zoveel tijd. Wij zouden het liefst willen dat in het zorgprogramma naast behandeling en begeleiding ook training in interactievaardigheden plaatsvindt.

Jullie hebben nu een paar pilots gedaan, wat hebben jullie daarvan geleerd? Wat werkt goed en wat gaan jullie anders doen?

“Daar mogen we nog geen uitspraak over doen, want de officiële evaluatie moet nog plaatsvinden, daar moeten de mensen van Anoiksis ook bij betrokken zijn. Dit is maar tussenverslag.” aldus Kuipers. “Het gaat om een pilot, een proef en we zijn nog niet eens halverwege. In deze fase past bescheidenheid. We willen graag tijd en ruimte om het rustig uit te zoeken. Ik was heel twijfelachtig in het begin, maar nu na drie keer denk ik; ja, er zit heel veel potentie in deze training en het is ook heel leuk om te doen”. Van Raay: “Wat ik er erg leuk aan vind is dat de dynamiek tussen trainer/cursist in vergelijking met die van behandelaar/patient zo anders en zoveel plezieriger is, omdat het de autonomie van beiden rollen in stand houdt. Er is geen behoefte aan controle. We hoeven ze niet op het rechte pad te houden, behalve daar waar het gaat om basisafspraken. “Precies” vult Kuipers aan, “Wij willen wel controle over het proces van de training, maar we hoeven geen controle over hun hoofd of over symptomen of gedrag. Dat is voor ons prettig maar dat is ook voor hen prettig.” Dat schept vrijheid, maar ook verbondenheid, anders kun je niet trainen. Die vrijheid is geen vrijblijvendheid.

Bas van Raay en Tom Kuipers, twee heel verschillende mensen die elkaar fantastisch aanvullen en prima kunnen samenwerken, blijken trainers te zijn in hart en nieren. Bijna lyrisch zijn ze over de uitspraak van een van de cursisten: “Waar deze cursus over gaat”, zei een jongeman “is vermindering van spanning, soepele omgang en een verhelderende blik op interactie.”

Tineke Verweij – pagee@planet.nl



Naar aanleiding van een artikel van Tom Kuipers in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid heeft de Vereniging voor Autisme laten weten dat ook zij belangstelling heeft voor deze training. De stichting Interactie is momenteel bezig met uitbreiding van de training voor mensen met andere stoornissen als ADHD, autisme, persoonlijkheidsstoornissen, bipolaire stoornissen en verslaving. De training wordt daarvoor aangepast op de handicaps van de verschillende stoornissen.



Verklarende woordenlijst:

De mat: een leermiddel waarbij de dynamiek van de interactie tussen twee mensen zichtbaar wordt gemaakt. Er worden situaties uitgespeeld op twee matten die op de grond liggen met elk een groen en rood gedeelte. Wanneer de cursist moeite heeft met het gedrag van een ander staat hij/zij op het rode gedeelte, wanneer hij/zij het gedrag kan accepteren, op het groene gedeelte.
De tas: een leermiddel om zichtbaar te maken dat mensen verantwoordelijkheden en lasten dragen. Niet zelden draagt men lasten die van een ander zijn. Er worden in de training daadwerkelijk tassen aangereikt.
Passen: In de training worden persoonlijke grenzen zoveel mogelijk gerespecteerd, je mag dus passen, je terugtrekken. Toelichting of verantwoording daarvan wordt niet gevraagd.

 
15 April 2004
Bron: Ypsilon Nieuws, april 2004
Copyright: Redactie Ypsilon Nieuws

In samenwerking met Anoiksis heeft de Stichting Interactie de ‘Interactievaardigheidstraining voor patiënten’ ontwikkeld. Er zullen zes tot acht pilots, proeftrainingen, plaatsvinden. Na evaluatie zal de training officieel van start gaan. Er worden op dit moment zowel klinische pilots gegeven, voor mensen die opgenomen zijn, als voor mensen die buiten de APZ leven. Het zijn met name jongeren die deelnemen aan de training. De training wordt zeven weken gegeven en duurt twee uur per keer. Pas als de definitieve versie klaar is kan men zich hiervoor opgeven. U wordt door Ypsilon Nieuws op de hoogte gehouden.


Training interactievaardigheden voor patiënten

De andere kant van de mat

Veel leden van Ypsilon hebben de Interactievaardigheidstraining voor familieleden gevolgd. En met succes, de positieve reacties heeft u uitvoerig in Ypsilon Nieuws kunnen lezen. Al eerder was de training ontwikkeld voor hulpverleners. Nu is–ie er ook voor mensen met een psychotische stoornis, voor patiënten. De eerste pilots zijn inmiddels gehouden en Tineke Verweij stak haar licht op bij de trainers, psychiater Tom Kuipers en psycholoog Bas van Raay.

Waarom is er een training voor patiënten ontwikkeld, hoe kwamen jullie op dat idee?

“Voor ons is het nooit een vraag geweest om het wel of niet te doen, het ligt voor de hand”, verklaart Van Raay. “Het is ook uitgangspunt van de Stichting Interactie. Als je in de driehoek patiënt –hulpverlener–familie de samenwerking wil bevorderen, moet je ook bij alledrie iets doen”, vult Kuiper aan. “Je ziet natuurlijk wel mensen die niet geconcentreerd zijn, die worden afgeleid door interne ervaringen of weinig initiatief hebben om mee te doen”, gaat hij verder, “maar de opzet van de training laat toe dat dit mag. Wij hoeven als trainers niet iedereen die een beetje achter blijft bij zijn kladden te grijpen om mee te doen. Iedereen zit in de training met de inzet die hij heeft, de deelnemers mogen er zijn zoals ze zijn. “Inclusief hun beperkingen”, valt Van Raay bij. Hij noemt een belangrijke grondregel: “Men mag passen.” En alleen al die regel maakt het geweldig spannend voor ons; aan de ene kant hoeven mensen niets en mogen ze weggaan, aan de andere kant zitten we dan met de vraag: “Komen ze nog terug?” Maar juist die vrijheid maakt dat ze zonder schuldgevoel weer terug kunnen komen. Helaas moeten we soms constateren dat we ze kwijt zijn. Dat is wel eens gebeurd. Voordat we de definitieve versie vaststellen moeten we goed uitzoeken in hoeverre je moet ‘prikkelen’ en moet ‘laten’.

Wat is het grootste verschil tussen de training voor familieleden en voor patiënten?

Kuiper: “Een van de dingen die ik moeilijk vind bij patiënten is dat je vrij dicht op de problemen staat waar ze echt mee worstelen, je staat dichter bij de afgrond. Dat is confronterend, je proeft de ellende soms heel goed. Dat vereist van trainers dat ze veel controle moeten hebben over hun eigen emotionele huishouding. Ik vind het ook spannend, spannender dan de andere groepen door de onvoorspelbaarheid. Voor de rest valt het me ontzettend mee, want het gaat over omgangsproblemen en die problemen zelf zijn niet door de ziekte gekleurd. Er is een grote overlap met wat andere mensen ook hebben”. Van Raay: “Patienten maken meer gebruik van de grondregel “Ik pas” en er is verschil in de mate van contact, die is bij patiënten minder. We weten nog niet of dat te maken heeft met de opzet en de groepsgrootte. Wat ik interessant vind is dat in alle trainingen, waar het ging over ‘handicaps’ van de ander of van jezelf, dat die momenten het meest contactrijk waren. Dat vind ik hoopvol. Ondanks dat er zoveel ontkenning is gaat het uiteindelijk toch over henzelf en dan is er meer intensiteit in het contact. Dan klopt het hart harder, zal ik maar zeggen. Dat hebben we in de laatste pilot meer gevoeld dan in de eerste”.

Je hebt het over ‘handicaps’ wat bedoel je daar precies mee?

“Handicaps zijn beperkingen die mensen hebben tengevolge van schizofrenie.” vertelt Van Raay. “In deze training ligt het accent op beperkingen in de sociale omgang. We introduceren de handicaps als iets wat cliënten ons vertellen, zij rapporteren ons waar ze moeite hebben. Hierdoor hebben ze zelf de mogelijkheid om te zeggen, dit herken ik wel maar dat niet. Een belangrijk gegeven is dat ze zelf de regie houden en kunnen kiezen”. Kuiper voegt er aan toe: “We zijn onderling in discussie over hoe je het ‘kan niet’ van de patiënt zelf in de training kan zetten. Want voor je het weet zit je weer in de rol van de hulpverlener en dat wil je als trainer niet.” Van Raay is het daar mee eens: “Waar het om gaat is dat je op zo’n manier binnenkomt bij die handicaps dat ze het niet over zichzelf hoeven hebben in termen van ‘ziek’. Terwijl ze in het accepteren van dat het–is–zoals–het–is bij de ander, wel degelijk geconfronteerd worden met absolute ‘kan niets’ bij zichzelf.

Als ik het goed beluister hebben familieleden ook hun handicaps, terwijl het accent altijd bij die patiënt ligt, want die is immers ziek. Hebben jullie het in de cursus ook over de handicaps van familieleden?

“Ja, absoluut” beaamt Van Raay, “Maar de handicaps van familieleden worden niet door ons gerapporteerd maar door de cursisten zelf. Wij stellen dan de vraag; is dat gedrag van je vader of moeder nu ‘wìl niet anders’ of ‘kàn niet anders’? Dan zie je ze denken en soms komen ze tot de conclusie: hij of zij kàn niet anders en dat is interessant want dan moeten ze een beweging maken van acceptatie en op dat moment krijgen ze daarmee iets terug, namelijk hun eigen tas. Als ze zien dat hún tas door familie wordt gedragen, begrijpen ze waarom die ouder steeds loopt te helpen. Op deze manier worden ze verrast door hun eigen beperkingen en dan groeit het inzicht. ” Het blijkt dat net als in de familietraining mensen via de handicaps van de ander achter hun eigen pijn en rouw komen. Een Aha–erlebnis die inslaat als een bom. Daarom is die tas zo belangrijk!”.

Uit ervaring weet ik dat die tas inderdaad veel indruk maakt op familieleden. Is dit ook zo bij patiënten?

“Ja, zeker” antwoordt Van Raay, “maar waar wij erg mee worstelen is op welk moment je de tassen moet introduceren. We hebben in de eerste pilot meegemaakt dat we bij de tweede of derde sessie de tas introduceerden en dat was een hele schok, het kwam hard aan en er was een meisje dat meteen afhaakte”. Dus de tas is niet zo succesvol? Van Raay: “Nee, de tas is wèl succesvol, maar hij is zwaar. We moeten de tas niet te snel inzetten. In Utrecht hebben we de hem later geïntroduceerd en daar ging het heel goed. Het lijkt er dus op dat je die tas later moet inzetten, als de band met de groep wat steviger is, zodat ze hem ook kunnen dragen.”

Door de trainingen voor familieleden weten jullie waar de problemen voor familieleden liggen in de interactie met familielid. Doen jullie daar iets mee?

“Mensen komen in de cursus met dingen die zij persoonlijk moeilijk vinden, daar halen zij hun leerdoel vandaan en daar wordt aan gewerkt” doet Kuipers uit de doeken. Van Raay maakt het concreet: “Iemand heeft als leerdoel: “Mijn moeder zit mij altijd op de huid en ik wil dat dat stopt.” Je kunt er natuurlijk gif op innemen dat die moeder in de familietraining het leerdoel had: “Ik wil mijn zoon confronteren met zijn gedrag.” of iets dergelijks. Maar het is niet zo dat we het uitwisselen, we zijn geen doorgeefluik.”

“Het gevolg van deze twee groepen is wel dat er al verschillende mensen graag met hun zoon of dochter willen oefenen op de mat”, vertelt Kuipers. “Maar dat we hebben nog niet in het pakket zitten. Van Raay reageert bedenkelijk: “Maar het is wel even wat anders of je met een andere cursist of met de trainer kan oefenen of met je eigen zoon. Want dan gaan de billen bloot, dan zeg je niet: “Nee zoon, dat is niet waar het over gaat, ik zie dat je het niet kàn.”. Nou, en wat dan…? Op het moment dat je de mensen met elkaar confronteert en je dat als trainer gaat begeleiden dan is het geen oefening meer. Dan heb je dus een echte confrontatie? In zekere zin hou je in de training met familieleden de regie over de afstand, je doseert je eigen rouw”. Kuipers: “Maar zolang dit instrument, de training, deugt, kun je ook in het echt iets hebben aan de toepassing hiervan, ik zie daar niet zo tegenop.” De discussie gaat door: Kijk, de training gaat niet sec om de confrontatie. De training gaat over een interne beweging die je maakt, waardoor je op een andere manier kijkt naar wat zich afspeelt”. Met expressieve gebaren laat hij die interne beweging zien. “Ik denk dat mensen op heel verschillende manieren het effect van de training ervaren. Wij moeten ook niet willen dat het een of andere vorm krijgt, het is gewoon zoals het uitpakt. Je moet ook niet uitsluiten dat het niet helpt” vervolgt Kuiper nuchter.

Aan het begin van de training vragen jullie altijd aan iedere cursist of ze een leerdoel hebben. Wat voor leerdoelen worden er door deze cursisten genoemd?

Bas van Raay, die vandaag net een training heeft gegeven, vouwt de vellen van de flapover open en leest voor:
“Ik wil leren meteen te zeggen wat ik denk als ik bezwaar maak tegen het gedrag van een ander. Dat ik gewoon kan zeggen wat er is. Het resultaat is dat ik dan minder spanningen heb in mijn lichaam en meer rust”.
“Ik wil leren duidelijk te zijn, ‘nee’ te zeggen want dan verlies ik minder energie.”
“Ik wil leren anderen te confronteren met mijn grens zonder het contact of de kans op samenwerking te verliezen. Resultaat; beter contact.”
“Ik wil leren contact te maken en te onderhouden met een ander, dan heb ik namelijk meer dagelijks geluk”.

Als ik dit zo hoor, lijken deze leerdoelen verdraaid veel op die van de familieleden. Lijken de oefeningen die zich op de mat afspelen ook op die van de familie?

“Dat klopt, het gaat steeds weer over grenzen stellen en bewaken”, geeft Kuipers aan. “Ook wat zich op de mat afspeelt heeft daarmee te maken. Het niet goed kunnen of durven uitspreken waar je grens ligt is een belangrijk probleem. Daarnaast voelen sommige cursisten niet eens dat hun grenzen worden overschreden of pas achteraf. Ze kunnen zichzelf niet beschermen, ook niet tegen de goedwillende invloed van familie of vrienden. Dat levert een enorm probleem op”.

Van Raay denkt even na en noemt een voorbeeld: “Een jongen zegt: “Mijn moeder vertelt mijn hele hebben en houden aan een hulpverlener en dat moet ze niet doen. Dat komt me mijn neus uit. Zij vertelt mijn privé zaken aan derden en dat wil ik zelf doen”. Maar hij kan het haar niet verhinderen en niet op een normale manier zeggen dat hij dat zelf wil doen, dat geeft te veel spanning. Bovendien wil hij zijn moeder niet kwetsen maar hij is wel altijd boos.” Dat de mat is een bruikbaar middel blijkt uit de enquête. In de ene groep was 75% het daar mee eens in de andere groep 100%. Een leuke reactie op de mat kwam van een meisje die verrast uitriep:“Rood mag, je kan toch door één deur blijven gaan”.

Wat zijn de reacties over het algemeen op de cursus, hebben jullie na afloop een enquête afgenomen?

De enquêtes van de training liggen binnen handbereik van Tom Kuipers en de stellingen en percentages vliegen over tafel: Op de stelling; “Deze cursus was zinvol voor mij” zegt in de ene groep bijna 90% “ja” en de andere groep 100%. De training scoort behoorlijk. Het merendeel had een leerdoel geformuleerd en gehaald en vindt dat hij/zij beter in staat is te laten zien waar hij/zij staat.”

Nu wordt deze enquête meteen na de training afgenomen, dan is iedereen nog enthousiast maar hebben jullie ook het idee dat het beklijft?

“Nee, dat weten we niet”, bekent Kuipers. “Bij ons in de kliniek worden wel observaties gedaan. Zowel het team als de patiënten hebben de training gedaan en wat je ziet is dat ze onderling het jargon van de training gebruiken. Over een hoop conflicten hoeven ze niet meer moeilijk te doen, dan zeggen ze gewoon: “Ik sta op rood”. Soms hoor ik een plof en dan valt er weer een tas op de grond”, grapt Kuipers. “Had je anders discussies van uren, met het gebaar van de tas hoef je die niet meer te voeren, dat zegt genoeg. Maar dit zijn incidentele observaties waarbij je ziet dat er iets blijft hangen. Het moet wel bekrachtigd worden anders slijt het weer weg. In ons team worden eens in de maand de problemen in de omgang met de patiënt op de mat uitgespeeld en geoefend. Bij de patiënten zou je iets vergelijkbaar moeten doen, eens in de zoveel tijd. Wij zouden het liefst willen dat in het zorgprogramma naast behandeling en begeleiding ook training in interactievaardigheden plaatsvindt.

Jullie hebben nu een paar pilots gedaan, wat hebben jullie daarvan geleerd? Wat werkt goed en wat gaan jullie anders doen?

“Daar mogen we nog geen uitspraak over doen, want de officiële evaluatie moet nog plaatsvinden, daar moeten de mensen van Anoiksis ook bij betrokken zijn. Dit is maar tussenverslag.” aldus Kuipers. “Het gaat om een pilot, een proef en we zijn nog niet eens halverwege. In deze fase past bescheidenheid. We willen graag tijd en ruimte om het rustig uit te zoeken. Ik was heel twijfelachtig in het begin, maar nu na drie keer denk ik; ja, er zit heel veel potentie in deze training en het is ook heel leuk om te doen”. Van Raay: “Wat ik er erg leuk aan vind is dat de dynamiek tussen trainer/cursist in vergelijking met die van behandelaar/patient zo anders en zoveel plezieriger is, omdat het de autonomie van beiden rollen in stand houdt. Er is geen behoefte aan controle. We hoeven ze niet op het rechte pad te houden, behalve daar waar het gaat om basisafspraken. “Precies” vult Kuipers aan, “Wij willen wel controle over het proces van de training, maar we hoeven geen controle over hun hoofd of over symptomen of gedrag. Dat is voor ons prettig maar dat is ook voor hen prettig.” Dat schept vrijheid, maar ook verbondenheid, anders kun je niet trainen. Die vrijheid is geen vrijblijvendheid.

Bas van Raay en Tom Kuipers, twee heel verschillende mensen die elkaar fantastisch aanvullen en prima kunnen samenwerken, blijken trainers te zijn in hart en nieren. Bijna lyrisch zijn ze over de uitspraak van een van de cursisten: “Waar deze cursus over gaat”, zei een jongeman “is vermindering van spanning, soepele omgang en een verhelderende blik op interactie.”

Tineke Verweij – pagee@planet.nl



Naar aanleiding van een artikel van Tom Kuipers in het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid heeft de Vereniging voor Autisme laten weten dat ook zij belangstelling heeft voor deze training. De stichting Interactie is momenteel bezig met uitbreiding van de training voor mensen met andere stoornissen als ADHD, autisme, persoonlijkheidsstoornissen, bipolaire stoornissen en verslaving. De training wordt daarvoor aangepast op de handicaps van de verschillende stoornissen.



Verklarende woordenlijst:

De mat: een leermiddel waarbij de dynamiek van de interactie tussen twee mensen zichtbaar wordt gemaakt. Er worden situaties uitgespeeld op twee matten die op de grond liggen met elk een groen en rood gedeelte. Wanneer de cursist moeite heeft met het gedrag van een ander staat hij/zij op het rode gedeelte, wanneer hij/zij het gedrag kan accepteren, op het groene gedeelte.
De tas: een leermiddel om zichtbaar te maken dat mensen verantwoordelijkheden en lasten dragen. Niet zelden draagt men lasten die van een ander zijn. Er worden in de training daadwerkelijk tassen aangereikt.
Passen: In de training worden persoonlijke grenzen zoveel mogelijk gerespecteerd, je mag dus passen, je terugtrekken. Toelichting of verantwoording daarvan wordt niet gevraagd.

 
Bron: Ypsilon Nieuws, april 2004/Copyright:Redactie Ypsilon Nieuws

Laatste bewerking: 22-09-2008 12:04