Criteria voor de diagnose schizofrenie

 

Bij het vaststellen of iemand daadwerkelijk aan schizofrenie lijdt, zijn psychiaters en psychologen aan strikte criteria gebonden. Zo wordt de uniformiteit tussen verschillende hulpverleners bevorderd, waar ter wereld de diagnose ook wordt gesteld. Al deze criteria staan vermeld in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Hieronder staat de volledige lijst met criteria, die gebruikt wordt om schizofrenie te diagnosticeren. Naast deze algemene symptomen van schizofrenie, bestaan er ook nog verschillende vormen van schizofrenie.

A. Kenmerkende symptomen:

Twee (of meer) van de volgende, elk gedurende één maand een belangrijk deel van de tijd aanwezig (of korter bij succesvolle behandeling):

1)      Wanen;
2)      Hallucinaties;
3)      Onsamenhangende spraak (bijvoorbeeld frequent de draad kwijtraken of incoherentie);
4)      Ernstig chaotisch of katatoon gedrag;
5)      Negatieve symptomen, dat willen zeggen vervlakking van het affect, gedachten- of spraakarmoede of apathie.

 

NB: Slechts één symptoom uit criterium A wordt vereist, indien de wanen bizar zijn of de hallucinaties bestaan uit een stem die voorturend commentaar levert op het gedrag of de gedachten van betrokkene, of twee of meer stemmen die met elkaar spreken.

B. Sociaal/beroepsmatig disfunctioneren:

Vanaf het begin van de stoornis ligt het functioneren, voor een belangrijk deel van de tijd, op een of meer terreinen zoals werk, relaties of zelfverzorging duidelijk onder het niveau dat voor het begin van de stoornis werd bereikt (of indien het begin in de kindertijd of adolescentie ligt is het niet gelukt het niveau te bereiken, dat op relationeel, school of beroepsmatig terrein verwacht kon worden).

C. Duur:

Symptomen van de stoornis zijn gedurende ten minste zes maanden ononderbroken aanwezig. In deze periode van zes maanden moeten er ten minste één maand symptomen zijn die voldoen aan criterium A (of minder bij succesvolle behandeling) die voldoen aan criterium A (dat wil zeggen symptomen uit de actieve fase) en kunnen er perioden voorkomen met symptomen met prodromale of restsymptomen. Gedurende deze prodromale of restperioden kunnen de symptomen van de stoornis zich beperken tot negatieve symptomen of tot twee of meer symptomen van criterium A in een lichte vorm (bijvoorbeeld vreemde overtuigingen, ongewone zintuiglijke ervaringen). 

D. Uitsluiting van schizoaffectieve of stemmingsstoornissen:

Een schizoaffectieve stoornis en een stemmingsstoornis met psychotische kenmerken zijn uitgesloten, omdat ofwel (1) er geen depressieve episodes, manische of gemengde episodes tegelijk met symptomen van de actieve fase zijn voorgekomen; of (2) indien er episodes met een stemmingsstoornis tijdens de actieve fase zijn voorgekomen met de totale duur die kort was in verhouding tot de duur van de actieve en de restperiode.

E. Uitsluiting van het gebruik van middelen of een somatische aandoening:

De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld drugs, geneesmiddelen) of een somatische aandoening.

F. Samenhang met een pervasieve ontwikkelingsstoornis:

Indien er een voorgeschiedenis is met een autistische stoornis of een andere pervasieve ontwikkelingsstoornis, wordt de aanvullende diagnose schizofrenie alleen gesteld indien er gedurende ten minste één maand (of korter indien met succes behandeld) opvallende wanen of hallucinaties zijn.


Laatste bewerking: 22-09-2008 12:04