www.schizofrenieplein.nl www.psychoseplein.nl www.anoiksis.nl
 
 
Home   
 

BRIEF PLATFORM GGZ AAN DE WOORDVOERDERS WMO VAN DE TWEEDE KAMERFRACTIES

De Wet Maatschappelijke Ondersteuning:
reactie op de nieuwe conceptwet

Deelnemers platform


30 augustus 2005

Betreft: Opmerkingen en vragen in het kader van de schriftelijke bijdragen voor het verslag over wetsvoorstel Nieuwe regels betreffende maatschappelijke ondersteuning (WMO) (30131)

Geachte heer, mevrouw,

In een statement hebben de landelijke patiënten, cliënten en consumentenorganisaties en de vakbeweging FNV geconstateerd dat de WMO onvoldoende rekening houdt met de belangen van cliënten.

Het landelijke Platform GGZ sluit zich aan bij het commentaar van de landelijke belangenorganisaties: behoud van wettelijke zorgaanspraken, keuzemogelijkheden en keuzevrijheid, behoud van PGB, goede informatievoorzieningen en cliëntondersteuning, betrokkenheid en facilitering cliëntenorganisaties, onafhankelijke indicatiestelling, risicosolidariteit, integraliteit van aanbod, oormerking van middelen, monitoring van de WMO vanuit het gebruikersperspectief, goede klachten, bezwaar- en beroepsprocedures, landelijk kenniscentrum, koppeling van de WMCZ aan de WMO.

In een eerder stadium heeft het Platform gereageerd op de WMO-plannen van de regering (zie hier, hier en hier).

De nieuwe conceptwet geeft aanleiding tot aanvullende opmerkingen en vragen, vooral ingegeven door recente informaties en nieuwe inzichten.

1.   Verhouding rechtszekerheid en vrijheid gemeenten is onevenwichtig

Maakt de keuze voor het model van decentrale sturing de WMO niet per definitie tot een onevenwichtige wet? Het politieke doel is balans te bereiken tussen twee strijdende partijen, waarvan de een (de bestuurlijke partners) streeft naar maximale beleidsvrijheid en de ander (de consumentenorganisaties) naar maximale rechtszekerheid. In de onderhandelingen hierover heeft VNG alle gelijk van VWS gekregen. De zekerheid voor de burger dat hij zich voor bepaalde voorzieningen tot zijn gemeente kan wenden ontbreekt in deze conceptwet. Vindt de regering dat er sprake is van een reële balans wanneer slechts voor een enkele voorziening een zorgplicht wordt vastgesteld, en deze bovendien tijdelijk van aard is? (MvT, p. 4) (MvT, p. 3 en 4). De RVZ pleit in haar adviezen voor een scheiding tussen collectieve en individuele voorzieningen. Voor de collectieve voorzieningen zou de gemeentelijke beleidsvrijheid maximaal van toepassing zijn, terwijl op de individuele voorzieningen burgers rechten kunnen laten gelden.

Vraag:
  • Zou dit in het kader van de nagestreefde balans niet een veel beter uitgangspunt zijn?

2.   Eigen bijdragen

Als de regering op het terrein van zorg en maatschappelijke ondersteuning streeft naar behoud van solidariteit van gezonde mensen met gehandicapten, zorgbehoevende ouderen en psychiatrische patiënten, waarom wordt dan in de WMO gewerkt met het systeem van eigen bijdragen? Op die manier worden mensen – omdat ze gehandicapt, zorgbehoevend of psychiatrisch patiënt zijn – op kosten gejaagd om ‘mee te kunnen doen’. (MvT, p.6)

Ook uit het oogpunt van bureaucratie is het systeem van de eigen bijdragen zeer onwenselijk, zowel voor de burger die een voorziening nodig heeft, als voor de gemeente, die met extra administratieve rompslomp komt te zitten. Het argument dat het een verlichting zou zijn ten opzichte van de huidige WVG-situatie gaat bovendien niet op voor voorzieningen die nu onder de Welzijnswet of de AWBZ vallen (MvT, p. 20).

Vraag:
  • Kan voorkomen worden dat mensen met een veelal kleine beurs, doordat ze door hun aandoening hulp of ondersteuning behoeven, financieel maar ook mentaal de dupe worden van dit nieuwe beleid?

3.   Cliënteninspraak

Artikel 11 van het aangepaste wetsvoorstel verplicht de gemeente de ingezetenen en de in de gemeente belang hebbenden bij de planvorming te betrekken. Bekend is dat belanghebbenden uit de -sector op lokaal niveau in het algemeen zwak georganiseerd zijn ten opzichte van ouderen en gehandicapten. Daarom is de verplichting van de gemeente advies te vragen aan representatieve organisaties op lokaal niveau onvoldoende als niet tegelijkertijd gefaciliteerd wordt dat mensen uit de sector zich beter kunnen gaan organiseren op lokaal niveau, daarbij ondersteund door hun landelijke organisaties. Heeft de regering rekening gehouden met de structurele achterstandspositie waarin de belangenorganisaties zich bevinden, teneinde de WMO ook voor deze groep tot een succes te maken? (MvT, p. 9).

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid facilitair gelden beschikbaar te stellen aan de landelijke, regionale en lokale organisaties om de achterstanden in te lopen, c.q. te versterken ofwel te formeren en te ondersteunen?

4.    Gemeenten hebben gebrek aan kennis en expertise over de doelgroep

Gemeenten beschikken veelal niet over de noodzakelijke kennis van een realistische beeldvorming over de doelgroep en te investeren in de noodzakelijke kennis en expertise over de achtergrond en behoeften van de doelgroep.

Vragen:
  • Welke maatregelen gaan gemeenten nemen om de onrealistische beeldvorming over de doelgroep en het huidige gebrek aan kennis en expertise over de achtergrond en behoeften van de doelgroep als geheel aan te pakken?
  • In hoeverre is zij daarbij van plan gebruik te maken van de aanwezige kennis en expertise over de achtergrond en behoeften van de doelgroep bij landelijke en regionale cliënten- en familieorganisaties in de GGZ?

5.   PGB

In de conceptwet WMO krijgen gemeenten de beleidsvrijheid om wel of geen PGB mogelijk te maken. VNG wil zich op dit punt niet binden om de mogelijkheid van bulkinkopen niet te frustreren. Wij vinden dit een slecht argument, want PGB is veelal nog goedkoper en efficiënter, bovendien sluit het PGB aan bij de behoefte van cliënten. Tenslotte, via PGB zijn meerdere vormen van ondersteuning mogelijk dan de gemeente vaak kan bieden. Sommige vormen van PGB-ondersteuning kan een instelling niet bieden. PGB is een noodzakelijk middel voor de goede ondersteuning van cliënten en mantelzorgers.

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid binnen de wetgeving WMO maatregelen te nemen tot een vrije keuzemogelijkheid voor burgers gebruik te kunnen maken van het PGB na indicatie?

6.   Indicatiestelling

Vindt het kabinet het verantwoord dat de gemeenten – ondanks het gebrek aan voldoende kennis en expertise over de achtergrond en behoeften van de doelgroep – de verantwoordelijkheid krijgt over de indicatie van de doelgroep.

Vragen:
  • Welke garanties worden er geboden voor de noodzakelijke (medische) kennis over de achtergrond en behoeften van onze doelgroep bij de indicatiestelling voor noodzakelijke voorzieningen?
  • Welke garanties worden er geboden voor burgers m.b.t. het recht op een second opinion en een klachtrecht bij de indicatiestelling?

7.   Dagbesteding

Al eerder is genoemd dat zinvolle dagbesteding, voldoende begeleiding en ondersteuning noodzakelijke voorwaarden zijn voor mensen met (ernstige/chronische) psychische en/of psychiatrische problemen om op redelijke wijze maatschappelijk mee te kunnen doen. Begeleid wonen en de zogenaamde dagactiviteitencentra (DAC’s) voor mensen met psychische en/of psychiatrische problemen voorzien in dat kader in een belangrijke behoefte.

Een DAC voorziet in een laagdrempelige manier in dagbesteding, (lotgenoten)contact, de begeleiders zijn bekend met de specifieke kenmerken met de doelgroep (zoals het gebruik van medicatie); DAC’s hebben een rehabiliterende functie; ze zijn voor mensen met (ernstige/chronische) psychische en/of psychiatrische problemen een manier om (weer) onder de mensen te komen en vormen een opstap naar (betaald) werk.

Onder cliënten bestaat de ernstige zorg dat hun DAC, die voor de doelgroep juist in een belangrijke behoefte voldoen, met de komst van de WMO (deels) zullen verdwijnen. Cliënten zijn bang dat DAC’s (deels) vervangen zullen worden door voorzieningen zoals buurthuizen, waarin functies als dagbesteding en participatie op één hoop gegooid gaan worden met andere doelgroepen zoals ouderen en mensen met een lichamelijke of verstandelijke handicap.

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid garanties te bieden dat de DAC’s, die voorzien in een belangrijke behoefte, ook met de komst van de WMO behouden blijven?

8.   Effecten van verkeerde beeldvorming

In de beeldvorming over mensen met (ernstige) psychische en/of psychiatrische problemen ligt er, mede naar aanleiding van het sterke accent op ‘veiligheid’ in het politieke en maatschappelijke klimaat en de afnemende tolerantie ten aanzien van kwetsbare groepen in de samenleving, bij gemeenten een eenzijdig accent op verloedering en overlast. Dit beeld komt slechts met een zeer klein deel van de mensen met (ernstige/ chronische) psychische en/of psychiatrische klachten overeen. In de meeste gevallen is er sprake van stil leed achter de voordeur, van vereenzaming of een sociaal isolement. Die meerderheid is met de juiste begeleiding, ondersteuning en dagbesteding prima in staat om op redelijke wijze mee te kunnen doen. Deze begeleiding, ondersteuning en dagbesteding is een harde voorwaarde voor mensen met (ernstige/chronische) psychische en/of psychiatrische problemen om naar vermogen te participeren. Voldoende kennis en expertise over de achtergrond en behoeften van de doelgroep is hiervoor noodzakelijk. Helaas ontbreekt het hier bij gemeenten (nog) in (te) veel situaties aan. Voorkomen moet worden dat de zichtbare problematiek van een relatief klein deel van de doelgroep, die zorgmijdend gedrag vertoont en/of overlast geeft, bepalend is voor de beeldvorming en als uitgangspunt wordt genomen voor het gemeentelijk beleid voor de doelgroep. De kans is in dat geval groot dat kwetsbare mensen, met ernstige psychische en/of psychiatrische problemen tussen wal en schip vallen en juist op straat terecht komen. (MvT, p. 22 t/m 27). Als de plannen voor de WMO worden aangenomen krijgen gemeenten een grote beleidsvrijheid. Onze vrees is dat gemeenten zich zal blijven richten op de overlastbestrijders met een GGZ-achtergrond en niet/onvoldoende zal richten op de vermaatschappelijking van de veel grotere onzichtbare groep mensen die zich zonder de juiste WMO-ondersteuning slechts kunnen rekenen op zorg in engere zin.

Vragen:
  • Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat hierboven genoemde groepen kunnen blijven rekenen op ondersteuning en begeleiding binnen de nieuwe taakstelling van de Gemeenten?
  • Worden er ook eisen gesteld aan evaluatie van beleid voor deze doelgroep en indien zonodig beleid aangepast c.q. verbeterd?

9.    Specifieke –aspecten GGZ

Crisismeldpunt

In het wetsvoorstel WMO en de MvT is aangegeven dat de gemeenten ook de verantwoordelijkheid krijgen over de uitvoering van de OGGZ, MVT p. 21, 27, 34. Een veel gehoorde klacht van GGZ-cliënten die in een crisis (dreigen te) raken, en hun familieleden en betrokkenen, is dat signalen niet of te laat worden opgepikt en/of niet serieus worden genomen. Het gevolg is dat een situatie daardoor vaak geheel uit de hand loopt en/of een (gedwongen) opname volgt die met voldoende opvang en begeleiding voorkomen had kunnen worden. In het verleden hebben cliëntenorganisaties zoals Stichting Pandora al meerdere malen gepleit voor een centraal 24 uur bereikbaar crisismeldpunt. Naar een dergelijk 24 uur bereikbaar crisismeldpunt moeten mensen in een (dreigende) crisis toe kunnen bellen, met een deskundig team dat paraat staat om mensen te woord te staan en desgewenst te bezoeken. De preventieve werking hiervan zou veel onheil kunnen voorkomen zowel voor cliënten als voor betrokken familieleden of omwonenden.

Een modern OGGZ-beleid moet volgens het Platform voorzien in (de komst van) een centraal, 24 uur bereikbaar crisismeldpunt, met een deskundig team dat hieraan verbonden is van psychiaters, SPV-ers, ervaringsdeskundigen etc. Ook de navolgende punten hangen hiermee samen.

Vragen:
  • Is de Staatssecretaris bereid maatregelen te nemen tot de vorming van een 24 uurs bereikbaar crisis-meldpunt, zoals hierboven genoemd?
  • Zo ja, kan dit samen met het Platform GGZ en aanbieders van zorg vorm krijgen? Zo nee, wat is de reden daartoe?

Crisiskaart

Daarnaast wordt er in situaties waarin mensen – soms ten onrechte – toch gedwongen opgenomen en/of behandeld zijn, blijkt dat er onvoldoende van aanwezige kennis/ervaringen van de cliënt gebruik wordt gemaakt. De crisiskaart is een initiatief vanuit cliënten, waarop zij aangeven wat er in situaties van een (dreigende) crisis gedaan moet worden. Voor meer informatie hierover, zie ook Bureau Signaal van het Amsterdams Patiënten en Consumenten Platform – APCP, te Amsterdam of de Centrale Cliëntenraad van Meerkanten te Ermelo.

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid haar medewerking te verlenen aan een landelijke opzet van een crisiskaart in samenwerking met het Platform ?

Laagdrempelige opvang.

Opvang (in de wijk) en begeleiding in een vroeg stadium kunnen een crisis, en verloedering en overlast problematiek helpen voorkomen.

Er moeten landelijke garanties komen dat er voldoende (niet indicatiegebonden) laagdrempelige opvangvoorzieningen (in de wijk) komen waar mensen terecht kunnen voor een kop koffie met wat laagdrempelige begeleiding en indien nodig enkele nachten kunnen blijven.

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid nieuwe innovatieve initiatieven te ondersteunen van laagdrempelige voorzieningen zonder indicatiestelling in de wijk, die tevens logeermogelijkheden bieden?
  • Zo ja, welke middelen zullen hiertoe ingezet worden?

 

GGZ is meer dan OGGZ

Om te voorkomen dat de juiste kennis en expertise bij gemeenten over de meeste kwetsbare groep met psychische en/of psychiatrische problemen ontbreekt, dat er in het OGGZ beleid een te eenzijdig accent komt te liggen op overlastbestrijding zodat een deel van de mensen met (ernstige) psychische problemen tussen wal en schip valt, is het Platform GGZ van mening dat er een ‘landelijke format’ ontwikkeld moet worden voor de vormgeving van het OGGZ-beleid bij gemeenten. Gezien de kennis en expertise van de cliënten- en familieorganisaties van het Platform GGZ over de achtergrond en behoeften van de doelgroep is het van belang dat zij hierbij betrokken worden.

 

Vraag:
  • Is de Staatssecretaris bereid middelen te verschaffen voor het ontwikkelen van een landelijk format OGGZ beleid, waarbij ook landelijke cliënten- en familieorganisaties betrokken zijn?

 

Outreachende ondersteuning

Zoals het kabinet in het wetsvoorstel WMO en de MvT, p. 7 aangeeft is er ook een deel van de doelgroep die geen zorg wil, deze niet durft te vragen of de zorg door de specifieke beperkingen (bijvoorbeeld vanwege een sociale fobie of financiële beperkingen) niet kan vragen, terwijl zij deze wel nodig hebben. Goede outreachende ‘bemoeizorg’ kan voor deze groep GGZ-cliënten een oplossing bieden. Wij wijzen erop dat er effectieve bemoeizorg specifieke vaardigheden en expertise vergt. Het gaat hierbij om de ‘kunst tot het verleiden van zorg’. Zorg opdringen heeft hier juist een averecht effect.

Vraag:
  • Welke garanties kunnen gegeven worden dat gemeenten voldoende investeren in de noodzakelijke opleiding en training van teams voor (outreachende) bemoeizorg?

10.   Positie onverzekerden

Een ander punt van zorg is dat er met de komst van de nieuwe Zorgverzekeringswet een toenemend aantal mensen met (ernstige/chronische) psychische en/of psychiatrische klachten onverzekerd zal zijn voor de Zorgverzekeringswet. Dit aspect kan een druk leggen op gemeentelijke voorzieningen.

Vragen:
  • Welke maatregelen onderneemt de Staatssecretaris om dit te voorkomen?
  • En wat kan de inbreng van het Platform GGZ hierin zijn?

11.   Naamgeving LPR

De letters LPR zijn geen afkorting van Het Landelijk Platform van Patiënten en Familieorganisaties in de GGZ . De stichting LPR is één van de 15 deelnemende organisaties aan het Landelijk Platform GGZ. (MvT, p. 3).

12.    Cliëntondersteuning GGZ.

Cliëntondersteuning voor de GGZ-doelgroep wordt voor gemeenten een nieuwe taak die zij in het kader van de WMO toegevoegd krijgen. De cliëntondersteuning voor deze doelgroep is echter nog weinig ontwikkeld in vergelijking met de ondersteuning voor andere doelgroepen (ouderen, mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking). Er is sprake van een grote achterstand in financiële en personele zin. De VNG heeft in een brief aan de staatssecretaris van 21 juli jl. de cliëntondersteuning GGZ ook genoemd als een van de WMO-pijnpunten.

VWS subsidieert inmiddels een project van NIZW en Trimbos-instituut voor instrumentontwikkeling. Dit biedt echter nog geen oplossing voor het gebrek aan capaciteit op regionaal en lokaal niveau. Bovendien is de toekomst van bestaande steunpunten cliëntondersteuning GGZ bijzonder onzeker, wegens gebrek aan structurele financiering, naast de landelijke financiële ondersteuning voor de Stuurgroep GGZ Cliëntenondersteuning die de afgelopen jaren met veel inzet een kwaliteitsproject heeft opgebouwd op het punt van Cliëntenondersteuning GGZ.

Vragen:
  • Cliëntondersteuning voor de GGZ-doelgroep wordt een nieuwe taak voor gemeenten. Worden voor deze nieuwe taak ook financiële middelen overgedragen? Zo ja, wat is de omvang van die middelen?
  • Kan de staatssecretaris een overzicht geven van de middelen die op dit moment beschikbaar zijn voor cliëntondersteuning, uitgesplitst naar verschillende doelgroepen (ouderen, mensen met een lichamelijk of verstandelijke handicap, mensen met een psychische handicap)?
  • Welke maatregelen neemt de staatssecretaris om de capaciteit van cliëntondersteuning t.b.v. de GGZ-doelgroep te vergroten?
  • Is het de staatssecretaris bekend dat het voortbestaan van bestaande steunpunten regionaal, lokaal en landelijk cliëntondersteuning GGZ op het spel staat door gebrek aan structurele financiering? Wat doet de staatssecretaris om de continuïteit van deze steunpunten te waarborgen en de expertise die daarin is opgebouwd niet verloren te laten gaan?

13.   Clientenparticipatie GGZ algemeen

Op het gebied van cliëntenparticipatie en belangenbehartiging verkeert de GGZ in een achterstandspositie. Dit is door de staatssecretaris in het verleden meermalen erkend (onder meer in de beleidsnota 2004 en in het kamerdebat over de WMO in december 2004). Intussen leiden stelselwijzigingen in de zorg tot een taakverzwaring voor belangenorganisaties van GGZ-cliënten en familieleden. De GGZ die integraal onder de AWBZ viel wordt immers opgesplitst over drie domeinen: AWBZ, ZVW en WMO. Extra middelen voor GGZ-cliënten- en familieorganisaties blijven echter uit. Het Fonds PGO overweegt zelfs stopzetting van alle subsidies aan familieorganisaties.

Vragen:
  • Is de staatssecretaris het eens met de stelling dat de stelselwijzigingen leiden tot een taakverzwaring voor belangenorganisaties van GGZ-cliënten en familieleden, nu de GGZ over meerdere domeinen verdeeld wordt en belangenorganisaties op meerdere fronten moeten opereren?
  • Welke maatregel wil de staatssecretaris nemen of heeft zij reeds genomen om de (financiële) positie van cliënten- en familieorganisaties GGZ te versterken?
  • Is verbetering van de positie van genoemde organisaties ook een toetspunt voor het nieuwe beleid van het Fonds PGO?

14. Versterking positie clienten op regionaal en lokaal niveau

Het ministerie van VWS financiert voor diverse sectoren programma’s voor versterking van de positie van cliënten op regionaal en lokaal niveau (VPR- en VCP-programma’s). De voortzetting van deze programma’s na 2007 is echter onzeker. Voor de GGZ sector is het programma zelfs al per 1 januari 2005 gestopt.

Vragen:
  • Kan de staatssecretaris een overzicht geven van door VWS gefinancierde programma’s voor versterking van de positie van cliënten/consumenten op regionaal en lokaal niveau?
  • Kan zij aangeven welke middelen met deze programma’s gemoeid zijn?
  • Kan zij aangeven wat het beleid voor de komende jaren op dit punt is?
  • Klopt het dat de GGZ de enige sector is waarvoor geen programma meer loopt? Zo ja, hoe verhoud dit feit zich tot eerdere uitspraken van de staatssecretaris dat de GGZ op dit punt een achterstand heeft en juist een extra impuls verdient?
  • Gaat VWS alsnog een programma voor de GGZ financieren?

15. Ondersteuning mantelzorgers in de GGZ.

Met de komst van de WMO zal nog meer dan voorheen een beroep gedaan worden op partners en familieleden, vrienden, buren om de vereiste mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is. Dit vraagt (nog) grotere offers dan voorheen al het geval was. Dit blijkt uit de cijfers van diverse rapporten die onlangs hierover verschenen zijn. Het Platform GGZ vraagt extra aandacht voor de doelgroep GGZ, temeer daar deze slechts mondjesmaat die ondersteuning krijgt lokaal, aangezien deze mantelzorgers tot op heden niet of slecht bediend zijn in de Steunpunten Mantelzorg. Naast de ondersteuning vanuit de Steunpunten Mantelzorg is ook extra aandacht noodzakelijk voor logeermogelijkheden voor tijdelijke ontlasting van mantelzorgers of cliënten zelf die even een ‘time out’ nodig hebben.

Voor personen tot 18 jaar zijn er slechts enkele mogelijkheden van logeeropvang, voor volwassenen slechts gering in RIBW´s.

Vragen:
  • Is de Staatssecretaris bereid extra gelden beschikbaar te stellen voor de verbreding van kennis voor mantelzorgers in de GGZ?
  • Is de Staatssecretaris bereid beleid te vormen zodat cliënten GGZ tijdelijke logeermogelijkheden ontvangen bij een dreigende (crisis)-situatie of bij een preventieve ontlasting van de mantelzorger(s) bijvoorbeeld in een hotel of pensionfunctie of uitbreiding van de RIBW´s?
Tot slot willen wij u nog wijzen op de gezamenlijke brief welke is uitgegaan door het NPCF (en ZN) inzake het standpunt WMO, waarvan als cliëntenorganisaties lid zijn. Dit standpunt ondersteunen wij ten zeerste.

Met deze 15 punten wil het Platform GGZ aandachtsvragen voor een goede wetgeving WMO. Binnen onze achterban bestaat veel onrust en het zal goed zijn als er binnenkort duidelijkheid komt over de genomen beslissingen. Wij wensen U allen veel wijsheid toe om tot die te nemen besluitvorming goede keuzen te maken. Tot beantwoording van vragen zijn wij te allen tijde bereid.

Met vriendelijke groeten,

Namens het Platform GGZ

Gee de Wilde.

C.C.    Staatssecretaris van VWS, Mw. Drs. C. Ross-van Dorp en projectleider WMO, Dhr. Drs. E.M. Holman


Het Platform GGZ bestaat uit de volgende consumentenorganisaties:

  • Vereniging Ypsilon
  • Stichting Landelijke Patiënten- en bewonersraden in de GGZ
  • Vereniging Cliëntenbond in de geestelijke gezondheidszorg
  • Stichting Pandora
  • Stichting Regioconsult GGZ
  • Vereniging Anoiksis
  • Nederlandse Vereniging voor Autisme
  • Vereniging voor Manisch-Depressieven en Betrokkenen
  • Stichting Labyrint/In Perspectief
  • Stichting Borderline
  • Angst-, Dwang- en Fobiestichting Nederland
  • Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa
  • Regioberaad Nederland i.o.
  • Vereniging Balans/Impuls
  • Stichting Anonieme Gokkers en Omgeving Gokverslaafden
  • Stichting Landelijke Koepel Familieraden in de GGZ.



  • dot Klik hier voor een printversie van deze pagina
    dot Sitemap
    dot Naar het begin van deze pagina
    dot Laatste bewerking: 9 september 2005