|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
|
3. Vraagsturing en keuzevrijheidHet persoonsgebonden budget en de onafhankelijke indicatiestelling zijn onmisbare instrumenten voor vraagsturing en dus van keuzevrijheid. Door aantasting van deze instrumenten dreigt de overheid weer te kiezen voor aanbodsturing.Persoonsgebonden budget Voor GGZ-cliënten zal met de overheveling van de extramurale zorg naar de ZVW het pgb voor de functies persoonlijke verzorging, ondersteunende en activerende begeleiding verdwijnen. Het Platform GGZ i.o. verzet zich sterk tegen deze inperking van keuzevrijheid. Wij geloven ook niet dat een restitutiesysteem binnen de ZVW een volwaardig alternatief voor het pgb kan zijn. Daarvoor kent het restitutiesysteem te veel haken en ogen, alleen al vanwege het feit dat een belangrijk deel van de GGZ-doelgroep niet in staat zal zijn om de benodigde bedragen voor te schieten.. Ondanks een motie die door de Tweede Kamer is aangenomen is er nog geen zekerheid of het recht op een pgb binnen de WMO wordt opgenomen. Wij pleiten voor dat recht en voor een onvoorwaardelijke uitvoering van de motie-Arib. Zeer verontrustend is dat op korte termijn al aantasting van het pgb binnen de AWBZ dreigt. In het Convenant AWBZ 2005-2007 is een plafond voor het pgb ingevoegd. Wij vrezen dat de eerste wachtlijsten voor een pgb al ruim voor eind 2005 zullen ontstaan. Een ander groot punt van zorg is de dreigende afschaffing van het pgb voor activerende begeleiding. Het pgb heeft juist op het gebied van activerende begeleiding geleid tot een open markt met nieuwe vormen van zorg die op maat van cliënten gesneden zijn. De VWS-beleidsbrief 'Het pgb gewogen' stelt ons op dit punt voor de korte termijn gerust, maar neemt de zorgen voor de langere termijn niet weg. Indicatiestelling Ten aanzien van de indicatiestelling constateren wij dat het kabinet het uitgangspunt van onafhankelijkheid heeft losgelaten. Dit blijkt uit het Convenant AWBZ 2005-2007 en uit de WMO-plannen. Wij menen dat met het loslaten van de onafhankelijke indicatiestelling de weg naar aanbodsturing weer is ingeslagen.
4. Familieleden en mantelzorgIn de WMO zoals het kabinet die in de contourennota schetst, komen mensen pas in aanmerking voor ondersteunende voorzieningen, als ze geen beroep op hun sociale omgeving meer kunnen doen. De indruk wordt gewekt dat er nog wel rek zit in de mantelzorg. Die indruk is stellig verkeerd en doet geen recht aan het zware leven dat familie en naasten van psychiatrische patiënten al hebben, en aan de zorg die zij al verlenen. Eigen verantwoordelijkheid nemen familieleden van mensen met een psychiatrische aandoening allang, eerder te veel dan te weinig.Familie moet vooral gewoon familie kunnen zijn. Familieorganisaties proberen hun leden te leren omgaan met de ziekte van hun kind, broer, zus, ouder, en hen weerbaar te maken, zodat zij grenzen leren stellen aan de zorg die zij op zich nemen. Aan het leven met een familielid met een psychische handicap zijn ook specifieke kenmerken verbonden. Schizofrenie bijvoorbeeld ontstaat meestal tussen het 16e en 26ste levensjaar, en niet pas op de oude dag. Voor familie en naasten betekent dit dat gedurende lange tijd er zorg verleend wordt, of er zorgen zijn. Familierelaties kunnen erg gespannen zijn. Gevoelens van achterdocht, vaak inherent aan het ziektebeeld, en van schuld kunnen een rol spelen. Als in die situatie cliënten nog eens extra afhankelijk worden gemaakt van (afgedwongen) mantelzorg, doet dat noch de cliënt noch de familie enig goed. Voor mantelzorgers in de VG- en LG-sector is respijtzorg een gangbaar fenomeen. Voor mantelzorgers in de GGZ zijn deze faciliteiten vaak (nog) niet toegankelijk. 'Hoe kan ik mijn zoon die schizofrenie heeft nu overlaten aan een vreemde?' Uitbreiding van respijtzorg-faciliteiten die (ook) voor de GGZ geschikt zijn, is dan ook zeer gewenst. Opvallend is dat de regering enerzijds de mantelzorg stimuleert, maar anderzijds een mogelijkheid om mantelzorg praktisch handen en voeten te geven dreigde af te pakken. Recent stond het pgb voor inwonende familieleden ter discussie. Het gaat vaak om familie en naasten die bereid zijn een deel van hun arbeidstijd in te leveren om hun zieke familielid de begeleiding of zorg te geven die nodig is. Wij wijzen bijvoorbeeld op een groot aantal gezinnen met autistische kinderen die op deze wijze mogelijk maken dat het kind thuis blijft wonen. Het pgb biedt dan een kleine compensatie voor het financiële offer dat men brengt. Daarnaast kan het pgb een welkome bijdrage zijn aan het - juist in een GGZ context -gelijkwaardig maken van de verhoudingen. Inmiddels hebben wij de beleidsbrief pgb ontvangen waarin melding gemaakt wordt van behoud van het pgb voor inwonende familie. Opluchting hierover geldt slechts de korte termijn. Immers, voor de ambulante en kortdurende ggz vindt er in 2006 een overheveling plaats uit de AWBZ naar de nieuwe Zorgverzekeringswet. Het Platform pleit daarom nogmaals met kracht voor invoering van het pgb in de Zorgverzekeringswet. Het Platform maakt zich zorgen over de berichten die zijn ontvangen over de rol van de mantelzorg bij de indicatiestelling. Vele berichten hebben ons bereikt dat momenteel 'te' terughoudend wordt geïndiceerd met het oog op de mogelijkheid van mantelzorg. Verdere belasting van mantelzorgers is volgens het Platform niet gewenst.
5. Cliëntondersteuning'Meer keuzevrijheid' en 'meer eigen verantwoordelijkheid' vragen beide om mondige burgers. Maar: sommige mensen zijn niet zo mondig, hebben meer nodig dan informatie, hebben behoefte aan ondersteuning in het vinden van de weg naar de nodige zorg en maatschappelijke ondersteuning. Naast goede cliëntinformatie, waar VWS zich hard voor maakt, is de verdergaande cliëntondersteuning voor veel mensen noodzaak. Voor mensen met een psychische problematiek is het aanbod aan cliëntondersteuning echter onvoldoende ontwikkeld, zowel kwantitatief als kwalitatief.Met het project Steunpunt Cliëntondersteuning hebben cliëntenorganisaties GGZ en het Trimbos-instituut, verenigd in de Stuurgroep Cliëntondersteuning, de afgelopen twee jaar op het gebied van cliëntondersteuning veel expertise opgebouwd. Expertise over hoe cliëntondersteuning voor (potentiële) GGZ-cliënten eruit zou moeten zien. Binnen het project wordt aan een groeiende groep regio's ondersteuning geboden bij het opbouwen van cliëntondersteuning, volgens landelijk uitgedachte modellen en kwaliteitscriteria. Het project genereert veel enthousiasme en inzet. In 2003 werden zowel de cliëntenorganisaties als het Trimbos-instituut hierin financieel gesteund door VWS. In 2004 geldt dat helaas alleen voor het Trimbos-instituut. Recent werd bekend dat ondanks uitgesproken waardering voor het project en concrete toezeggingen van ambtenaren van VWS aan het Trimbos-instituut voor het jaar 2005, op hoger ambtelijk niveau besloten is in 2005 'cliëntondersteuning' te schrappen uit de productbegroting van het Trimbos-instituut. In de Stuurgroep overheerst verbijstering over dit besluit, dat ook werkelijk niet meer uit te leggen is aan alle betrokkenen in de regio's. Nu zit de Stuurgroep per 2005 geheel zonder middelen en zonder de steun en menskracht van het Trimbos-instituut. Dat betekent een voortijdig einde aan de inzet van de Stuurgroep. Voortijdig omdat de Stuurgroep een traject voor ogen heeft waarin de cliëntondersteuning GGZ haar plaats zal innemen in de cliëntondersteuning zoals die verder ontwikkeld zal worden in het kader van de WMO, samen met de cliëntondersteuning die reeds geboden wordt door de MEE en de ouderenadviseurs aan cliënten van de andere 'oude' AWBZ-sectoren. Het is van groot belang dat de cliëntondersteuning voor mensen met een psychische problematiek straks een volwaardige plek krijgt binnen de lokale ondersteuningsstructuur. Daarvoor moet de Stuurgroep Cliëntondersteuning haar werk voort kunnen zetten. Gebeurt dat niet, dan gaat er expertise verloren en is er sprake van kapitaalvernietiging op landelijk en regionaal niveau. Met relatief weinig geld is op landelijk niveau een enorme inzet gepleegd, die zijn vertaalslag kreeg in veel initiatieven op regionaal niveau. Aan het streven van de landelijke Stuurgroep om door haar aansturing daarbij enige uniformiteit en een goed kwaliteitsniveau te bewerkstelligen komt een einde.
6. De rol van cliënten- en familieorganisatiesCliënten- en familieorganisaties GGZ kunnen op drie manieren een belangrijke bijdrage leveren aan vormgeving van de WMO:
Countervailing power / belangenbehartiging Het kabinet gaat in zijn plannen voor een WMO uit van een grote beleidsvrijheid voor gemeenten met horizontale verantwoording over het gevoerde beleid. De vraag is of in deze opzet kwetsbare groepen, zoals mensen met een psychische handicap, verslaafden, dak- en thuislozen, wel voldoende tot hun recht komen. Deze doelgroep is bij gemeenten (zowel B&W als ambtenaren als gemeenteraad) vaak nog weinig in beeld of slechts eenzijdig in beeld vanuit het perspectief van overlastbestrijding. Electoraal vormen ze een factor van geringe betekenis. Bovendien zijn zij op lokaal niveau over het algemeen nog slecht georganiseerd in vergelijking met andere (kwetsbare) groepen zoals ouderen en lichamelijk gehandicapten. In de begroting 2004 heeft VWS zelf terecht geconstateerd dat de GGZ op dit punt nog een achterstand heeft ten opzichte van andere sectoren. Die achterstand zou worden aangepakt, maar het tegenovergestelde gebeurt. De GGZ ontvangt als enige sector geen middelen in 2005 en 2006 voor versterking van het decentrale niveau.
Uit voorgaand overzicht blijkt dat het Programma Versterking GGZ niet vervolgd wordt. In dit programma is de afgelopen drie jaar door regionale cliëntenorganisaties GGZ - bundelingen van cliëntenraden, cliënten- en familieorganisaties - een schat aan kennis en ervaring opgebouwd. Bovendien is een infrastructuur gerealiseerd voor informatieoverdracht, uitwisseling en verspreiding van succesvolle praktijken, waarvan veel gebruik wordt gemaakt. Nu het Programma Versterking geen vervolg krijgt, dreigt kapitaalvernietiging. Cliënten- en familieorganisaties in de GGZ zullen zich in de cruciale jaren 2005 en 2006 niet goed kunnen voorbereiden op de WMO. Cliënteninitiatieven Cliënteninitiatieven kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van maatschappelijke steunsystemen op lokaal niveau en wijkniveau. Het gaat om zelfhulpgroepen, lotgenotencontact en cliëntgestuurde projecten op het gebied van wonen, vrije tijd, arbeid e.d. Deze initiatieven bieden vaak een vorm van ondersteuning die er nog niet is of zijn een (goedkoop) alternatief voor reeds bestaande reguliere voorzieningen. Het is teleurstellend dat in de WMO-plannen tot dusver geen aandacht is besteed aan de waardevolle betekenis van deze cliënteninitiatieven, die bij uitstek een beroep doen op eigen kracht, eigen verantwoordelijkheid en onderlinge steun. De overheid geeft blijk van weinig visie op dit gebied. Het Platform GGZ vreest dat cliënteninitiatieven in de WMO onvoldoende benut zullen worden, tenzij er een stimulerend beleid komt. Anders zullen de meeste gemeenten, kiezend voor de gemakkelijkste weg, straks in zee gaan met enkele grote aanbieders, terwijl zij de kleinschalige cliënteninitiatieven links laten liggen.
Utrecht / Rotterdam, 2 december 2004.
|
||||||||||||||||||||||||||||