Wat moet of mag ik (niet)

Psychische problematiek raakt niet alleen de cliënt, maar ook diens naasten: partners, ouders, (volwassen) kinderen, vrienden, broers en zussen. Daarom is het belangrijk om aandacht te hebben voor deze naasten, met hen samen te werken en hen waar nodig te ondersteunen. De zogeheten ‘Generieke module Naasten’ mag dan een saaie titel hebben, ze biedt hiervoor wel een prachtige leidraad. De nieuwste versie daarvan bevat bovendien een hele werkkaarten, bedoeld als hulpmiddel voor de praktijk van alledag.

Als professional mag je meer dan je denkt. Je mag niet alles zeggen, maar mag wel alles vragen aan naasten bijvoorbeeld. En samenwerken in de triade lukt alleen als je ook zaken deelt. Welke dat zijn, daarover kun je met cliënt en naaste elke afspraak maken die je wilt. En soms moet je zelfs dingen delen. Bijvoorbeeld in het kader van de Wet verplichte ggz.

Generieke module Naasten

De generieke module Naasten (herzien in 2021)¹ is een kwaliteitsstandaard die het werken met naasten eenvoudiger maakt. De nieuwe standaard laat zien hoe normaal dat eigenlijk is en vertelt hulpverleners hoe ze dat kunnen doen. Ben je professional in de ggz? Bijvoorbeeld psychiater, psycholoog, verpleegkundige, POH of familievertrouwenspersoon? Dan ziet ook jouw beroepsvereniging deze generieke module als dé leidraad voor het samenwerken met en ondersteunen van naasten. Dat betekent dat jij je daaraan moet houden – of moet uitleggen waarom je ervan afwijkt, want uiteraard blijft maatwerk altijd noodzakelijk.

Werkkaarten
De module bevat werkkaarten² die professional, patiënt en naaste  uitleg geven over dagelijkse situaties.


Privacy-issues

Werkkaart Samenwerken & Privacy

In de zorg voor lichamelijke ziektes doen hulpverleners moeite om de familie van hun patiënten daar nauw bij te betrekken. In de psychiatrie lijkt de deur juist vaak op slot te gaan. Terwijl de wettelijke regels dezelfde zijn. Maar wat zijn nou die regels? Veel familieleden en naasten klagen dat ze ten onrechte buiten de behandeling worden gehouden. En ze hebben gelijk. Want iedereen praat elkaar na en bijna niemand weet hoe het écht zit. Er mag veel meer dan je wat je vaak in de ggz hoort. In de werkkaart Privacy die hoort bij de kwaliteitsstandaard over naasten wordt alles op een rijtje gezet. Behoefte aan scholing op dit terrein? Informeer naar onze workshop over privacy!

Uitspraken Tuchtcollege

Nog bij te veel professionals leeft de angst dat ze voorzichtig moeten zijn, omdat informatie verstrekken al snel ‘klachtwaardig’ zou zijn. Er is niets mis met zorgvuldigheid, maar weet dat het niet delen van informatie óók klachtwaardig kan zijn. En dat ook de naaste in bepaalde mate recht heeft op privacy. Twee voorbeelden van het Centraal Tuchtcollege, de hoogste rechter op dit gebied:

Tuchtcollege: Naasten informeren moet!

Naasten hebben recht op informatie, soms zelfs als de patiënt in kwestie dat niet wil.  Al in 2017 deed het Centraal Tuchtcollege hierover een uitspraak. Het stelde de partner van een patiënt in het gelijk omdat de behandelaar hem geen informatie had verschaft, blijkt uit een vonnis dat onder meer in het blad Medisch Contact is gepubliceerd.

De cliënte werd door een FACT-team behandeld zonder dat haar partner daarvan op de hoogte was. Deze diende hierover een klacht in tegen de psycholoog van het team die het Tuchtcollege gegrond verklaarde. Gezien de werkwijze van een FACT-team en de richtlijn bipolaire stoornissen, moeten naasten bij de behandeling van een patiënt worden betrokken. Dat kan ook zonder het verstrekken van informatie die onder het medisch beroepsgeheim valt, aldus het hoogste College. De echtgenoot stond als eerste contactpersoon in het dossier vermeld. Toch heeft de behandelaar geen enkele poging gedaan om met hem in contact te komen. Hij ging alleen af op de weigering van de patiënte. Zij was bovendien in behandeling bij een FACT-team, een team biedt behandeling die gericht is op herstel dichtbij de omgeving van de patiënt. Uitgangspunt is dat wordt samengewerkt met de patiënt, maar ook met zijn familie en directe omgeving. Met andere woorden: het behandelteam hield zich niet aan zijn eigen principes.

Tuchtcollege: Hulpverlener schendt privacy vader

In oktober 2020 deed het Centraal Tuchtcollege uitspraak over een klacht waarbij een vader de psychologe van zijn dochter benaderde met de uitdrukkelijke vraag om de dochter daarover niet te informeren. De behandelaar besloot om dat wél te doen. Daarop diende de vader de klacht in en de tuchtrechter gaf hem gelijk. De psychologe had zijn verzoek om een gesprek niet mogen delen met de dochter en de moeder. Bovendien had ze een interventie gepleegd door dat wel te doen en ook dat was niet correct, oordeelde het College.

Het College baseert zich op de Beroepscode voor psychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Daarin staat dat ‘psychologen verplicht zijn tot geheimhouding van informatie voor zover de informatie van vertrouwelijke aard is.’ Die vertrouwelijkheid geldt niet alleen naar de cliënt, maar ook naar andere betrokkenen, leidde het College uit de Beroepscode af, en de vader is te beschouwen als zo’n betrokkene, aldus de uitspraak. De psycholoog had aan de vader moeten meedelen onder welke voorwaarden ze wel of niet akkoord kon gaan met zijn verzoek.

Privacy van de naaste

Hebben familie en naasten van mensen in de ggz eigenlijk óók recht op privacy? De vraag komt nog wel eens naar voren als naasten de hulpverlener iets in vertrouwen denken te vertellen, maar dat later via de cliënt weer terugkrijgen. Maar de vraag stellen is hem eigenlijk ook beantwoorden. Een cliënt heeft niet méér recht op privacy dan een naaste en omgekeerd ook niet.

Het ministerie van VWS gaf een folder over het medisch beroepsgeheim uit, waarin dit thema terugkomt bij het recht op inzage. De cliënt heeft het recht eigen gegevens uit zijn medisch dossier in te zien, staat er, maar er zijn ook uitzonderingen: “Er wordt geen inzage in (een deel van) het medisch dossier gegeven als de persoonlijke levenssfeer van een ander daarmee wordt geschaad. Denk aan gegevens die door de partner van de patiënt of door een familielid aan de hulpverlener zijn verstrekt in het vertrouwen dat de patiënt ze niet te zien krijgt.”

Meer informatie

ANBI logo