Ypsilon nieuws 2 | 2026

Mooiste gebouw Mijn zus en ik Marianne Kootstra is zus-van. In Ypsilon Nieuws schrijft ze in de rubriek ‘Mijn zus en ik’ over psychosegevoeligheid, autisme en de psychiatrie. De ggz ken ik al vanaf dat ik daar in de jaren zeventig vakantiewerk deed op de dagbesteding. Net zeventien was ik. Het was een wonder dat ik daar mocht werken. Geen diploma’s in die richting, geen enkele ervaring en geen idee waar ik aan begon. Wel opgewekt, leergierig en gemotiveerd er iets van te maken. Handig genoeg om het koffieapparaat aan de praat te krijgen, hand- en spandiensten te verlenen en te controleren of het aantal cliënten overeenkwam met het aantal dat er hoorde te zijn. Op de creatieve therapie werd gebreid en gehaakt door vrouwen die, trillend en bevend van de medicatie, regelmatig een steek lieten vallen. Mijn werk bestond vooral uit het oprapen van die gevallen steken. En passant hoorde ik waarom iedereen hier zat: poging tot zelfdoding (‘die moet je in de gaten houden dat ze niet wegloopt’), anorexia (‘let op dat ze wel meedoet met de koffieronde’), godsdienstwaanzin (‘Jezus hoort en ziet alles’). Zware problemen waarbij ik me afvroeg wat daarbij de functie van breien kon zijn. Gratis koffie In mijn herinnering waren het alleen maar prachtige zomerdagen. Het ggz-terrein kenmerkte zich door uiteenliggende gebouwen, grote grasvelden en goed bijgehouden bloemenborders. Op het gras lagen overal cliënten - tussen de middag of na de dagbesteding de enige plek waar ze overdag ongestoord konden liggen, een beetje soezen of een dutje doen. Op de slaapzalen was het overdag niet toegestaan om te gaan liggen. Nu kom ik elke vrijdag naar hetzelfde ggz-terrein voor een bezoek aan mijn zus. Elke week word ik vanuit het rokersschuilhutje welkom geroepen door R.: ‘Het is een Schone Vrijdag! Het is een Schone Vrijdag! Er is gratis koffie bij het Trefpunt! Het is gratis!’ De grasvelden en bloemperken zien er nog net zo uit als ik me herinner van veertig jaar geleden. Maar nu ligt er niemand in het gras. Hier en daar staat een bankje met iemand erop en bij het Trefpunt zitten buiten mensen met hun gratis kopje koffie. De slaapzalen zijn vervangen door éénpersoonskamers met een eigen badkamer en wie overdag een dutje wil doen doet dat daar. Niet de strenge groepsverboden en voorschriften, maar afspraken overeenkomstig het behandelplan of iemand wel of niet even kan gaan liggen. Midden in het groen Mijn zus woont nu in het allermooiste verblijfsgebouw: in organische bouwstijl, kleurrijk en asymmetrisch. Als je naar binnen loopt, kom je in de binnentuin, met grote tropische planten en exotische bloemen en een langzaam oplopende rolstoelbaan dwars door de tuin naar de bovenliggende etage. Ook als je niet naar buiten kunt of wilt, ben je te midden van het groen en snuif je frisse lucht op. Hoe mijn humeur ook is als ik dat gebouw binnenstap, wat mijn zorgen over mijn zus zijn of wat mijn privé-sores ook zijn, als ik diep ademhaal glijdt de stress van mijn schouders en voel ik me vrolijk worden. Wat fijn dat mijn zus hier mag wonen, in het allermooiste gebouw. LINOSNEDE: EDITH BROUWER DIGITALE BEMOEIZORG Aanbellen bij een scherm dat op zwart gaat Geertje Paaij gaat in gesprek met professionals die de post-hbo-opleiding bemoeizorg volgen bij het RINO-instituut. Op uitnodiging van docent Rokus Loopik bespreekt ze dilemma’s uit de praktijk. Ze opent het gesprek met een fragment uit haar boek Als je brein je bedriegt, dat laat zien hoe hulpverleners worstelen met het aan banden leggen van socialemediagebruik tijdens klinische opnames en ambulante begeleiding. Het fragment benadrukt dat socialemediagebruik in de ggz nog altijd een blinde vlek is, zelfs in crisissituaties. Online tot diep in de nacht De offline- en onlinewereld zijn ook voor cliënten een hybride wereld geworden. Hulpverleners ervaren vaak handelingsverlegenheid: wat doe je als een cliënt ’s nachts om vier uur online is, maar ’s middags om twee uur de deur niet opendoet? Dit voorbeeld illustreert het dilemma: wanneer is het digitale leven van een cliënt nog privé? En wanneer moet een hulpverlener ingrijpen? Veel hulpverleners voelen weerstand tegen het volgen van socialemedia-accounts van cliënten, ook al gebruiken ze daarvoor uitsluitend een account vanuit hun rol als professional. 'Als je als hulpverlener op bezoek komt, ben je te gast in iemands leven’, zegt een deelnemer. 'Als ik ook nog de politiepet opzet, kom ik niet op de bank van die persoon, maar blijf ik aan de andere kant van de deur.' Een andere aanpak is het digitale leven bespreekbaar maken zonder dat het Big-Brother-gevoel ontstaat. Een luchtige vraag kan al helpen: 'Heb je vandaag online nog iets leuks meegemaakt?' Zo ontstaat een gesprek in plaats van een inspectie. Hulpverleners lopen bovendien vaak tegen privacyregels aan. De stelling 'Wat er achter de kamerdeur van een cliënt gebeurt, is privé' leidt tot een levendige discussie. Maar wat als een cliënt ontluisterende selfies maakt en online zet? Mag een instelling dan de smartphone innemen? Daarmee snijd je immers het contact met de buitenwereld af. Sommige deelnemers vinden het een oplossing om prepaidtoestellen te gebruiken of de smartphones tijdelijk in een kluisje te leggen. De centrale vraag blijft: wat is bescherming en wat is betutteling? Wanneer wordt online gedrag gevaarlijk? Een andere casus gaat over spraakberichten van een cliënt via WhatsApp, waarin hij dreigt een familielid iets aan te doen. De instelling geeft geen terugkoppeling aan familie zonder toestemming van de cliënt. Daardoor blijft onduidelijk of er daadwerkelijk actie wordt ondernomen. Sommige deelnemers opperen hypothetische antwoorden: 'In zo’n situatie zou ik dit of dat doen.' Ze wijzen erop dat het doorspelen van informatie gevolgen kan hebben voor de behandelrelatie en zelfs voor de BIG-registratie van de professional. Hulpverleners staan op een tweesprong: de risico’s serieus nemen, ook al kan dat tot klachten of reputatieschade leiden, of niet ingrijpen. Weer een andere stelling luidt: een psychiater hoeft geen kennis te hebben van sociale media. De deelnemers zijn het daar niet mee eens. Zeker met de opkomst van kunstmatige intelligentie en online gemeenschappen wordt digitale kennis steeds belangrijker. Toch blijkt uit onderzoek dat slechts 15 tot 20 procent van de behandelaren het socialemediagebruik van cliënten opneemt in het behandelplan. Dat roept de vraag op: waarom speelt het online leven van cliënten zo’n kleine rol in de behandeling? Een nieuw terrein De invloed van permanent online zijn op de hersenen van psychisch kwetsbare mensen is nog nauwelijks onderzocht. Het onderwerp staat nog in de kinderschoenen. Toch groeit bij deelnemers ook het besef dat de online wereld een steeds grotere rol speelt in het leven van cliënten, en dat roept een prikkelende vraag op: als in het basisonderwijs smartphones al uit de leslokalen worden geweerd en er stemmen opgaan om socialemediatoegang tot 16 jaar te verbieden, waarom geldt die bescherming dan niet voor deze extreem kwetsbare groep? De vraag is dus niet óf digitale bemoeizorg nodig is, maar hoe die eruit moet zien. Misschien begint dat simpelweg met dezelfde houding als bij traditionele bemoeizorg: blijven aankloppen, óók bij een digitale deur. Geertje Paaij | yn@ypsilon.org Bemoeizorg in de ggz draait traditioneel om onvermoeibaar aanbellen en terugkomen totdat er contact ontstaat met iemand die geen zorg wil. Maar tegenwoordig is er ook een andere voordeur: het digitale scherm dat op zwart gaat. Een scherm waarachter cliënten zich volledig kunnen terugtrekken, vaak zelfs zonder dat hun naasten het merken. Wat betekent dat voor de hulpverlening? Bestaat er zoiets als digitale bemoeizorg? 22 23 REPORTAGE www.ypsilon.org MIJN ZUS EN IK YPSILON NIEUWS 2 | 2026

RkJQdWJsaXNoZXIy NzkyMjk=